Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/199891/KG ZA 14-694)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord met producties;
- het op 10 juni 2015 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de op de rolzitting van 26 mei 2015 overgelegde producties, die [appellant] bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
“Vooropgesteld zij dat het in de verhouding tussen [verhuurder] en Ipic gaat om huur van kale grond, niet om woon- of bedrijfsruimte. Naar voorlopig oordeel is er geen aanleiding om in dit verband voor toewijzing van een vordering tot ontruiming de eis van dringend eigen gebruik te stellen naar analogie van niet toepasselijke bepalingen”.Voorts acht het hof van belang dat het arbitraal vonnis een kort geding betreft, zodat dit geen definitieve beslissing oplevert over de rechtsverhouding tussen [verhuurder] en Ipic. Een en ander betekent dat [appellant] de (indirecte) rechtsbescherming waarop hij recht heeft in het kader van artikel 7:306 lid 1 BW Pro, niet heeft genoten.