In deze zaak gaat het om een geschil tussen ouders over de omgangsregeling met hun drie minderjarige kinderen. De vader verzocht om omgang gedurende één weekend per veertien dagen en de helft van de schoolvakanties en feestdagen. De rechtbank had dit verzoek afgewezen en slechts een e-mailcontactregeling van één e-mail per kwartaal toegestaan.
De vader kwam hiertegen in hoger beroep en stelde dat de e-mailregeling onvoldoende was en dat hij fysiek contact wilde met zijn kinderen. De moeder betwistte dit en stelde dat de kinderen sinds 2009 geen contact meer wilden en emotioneel afstand hadden genomen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de rechtbanksbeslissing te bekrachtigen.
Het hof overwoog dat de kinderen grotendeels zonder vader zijn opgegroeid, dat de vader sinds 2009 geen initiatief heeft genomen en dat de kinderen geen contact wensen. Het hof stelde vast dat de vader de mogelijkheid om e-mailcontact te onderhouden niet heeft benut en concludeerde dat er geen ruimte is voor een fysieke zorgregeling. Het hoger beroep van de vader werd afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.