AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen verhaalsbijdrage kosten bijstand minderjarige zoon
Appellante, bewindvoerder over de goederen van appellant, ging in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank waarin de onderhoudsbijdrage van appellant aan zijn minderjarige zoon werd vastgesteld op €770 per maand en een bedrag van €3.576,77 voor een eerdere periode.
De gemeente had appellant verzocht om financiële informatie om de verhaalsbijdrage vast te stellen, maar appellant zou hieraan onvoldoende hebben meegewerkt. De rechtbank kende het verzoek van de gemeente toe. Appellante voerde aan dat appellant geen draagkracht heeft vanwege een laag inkomen en schulden, en dat hij contact had gehad met de gemeente.
Het hof stelde vast dat appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt en aanzienlijke schulden heeft, waaronder een onderbewindstelling en een verzoek tot wettelijke schuldsanering. Gezien deze omstandigheden heeft appellant onvoldoende draagkracht om de gevorderde bijdrage te betalen, zelfs niet de minimale bijdrage van €25 per maand.
Het hof vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de gemeente af. De zaak betreft de toepassing van artikel 62 vanPro de Wet werk en bijstand en artikel 1:392 BWPro inzake onderhoudsplicht en draagkracht.
De uitspraak werd gedaan door het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 23 juli 2015.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de gemeente tot verhaal van kosten van bijstand af wegens gebrek aan draagkracht van appellant.
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak: 23 juli 2015
Zaaknummer: F 200.160.471/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/283138 / FA RK 14-3930
in de zaak in hoger beroep van:
[Bewindvoeringen] Bewindvoeringen B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die aan de rechthebbende,
[appellant 2](hierna: [appellant 2] ), wonende te [woonplaats] , toebehoren of zullen toebehoren,
advocaat: mr. C.G.M. Baas,
hierna te noemen: appellante,
tegen
Het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Steenbergen,
zetelende te Steenbergen,
verweerster,
hierna te noemen: de gemeente.
1.Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 3 september 2014.
2.Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 1 december 2014, heeft appellante verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de gemeente het door [appellant 2] ten behoeve van zijn minderjarige zoon [zoon] verschuldigde verhaalsbedrag vast te stellen voor de periode 12 december 2013 tot en met 30 april 2014 op € 3.576,77 en met ingang van 1 mei 2014 op € 770,- per maand, zulks zolang de bijstandsuitkering aan de ex partner van [appellant 2] , mevrouw [de vrouw] (hierna: de vrouw) en [zoon] voortduurt, alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 januari 2015, heeft de gemeente verzocht het door appellante ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
namens appellante, mr. Baas;
[appellant 2] ;
de gemeente, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger gemeente 1] en mevrouw
[vertegenwoordiger gemeente 2] .
2.3.1.
Appellante is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van appellanten d.d. 18 juni 2015;
de brief van appellante d.d. 30 juni 2015.
2.4.1.
Volgens afspraak is na de mondelinge behandeling nog ingekomen het V-6 formulier van mr. Baas met daarbij gevoegd de brief van appellante d.d. 6 juli 2015, waarin wordt medegedeeld dat appellante mr. Baas de opdracht heeft gegeven om in hoger beroep te gaan tegen de bestreden beschikking, de zaak van [appellant 2] te behandelen en hem, [appellant 2] , daarin te vertegenwoordigen.
3.De beoordeling
3.1.
[appellant 2] is met de vrouw gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is, voor zover thans van belang, op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] [zoon] ( [zoon] ) geboren.
3.2.
Met ingang van 18 oktober 2013 verstrekt de gemeente aan de vrouw een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden, welke uitkering mede ten behoeve van [zoon] wordt verstrekt.
3.3.
Bij brieven van 11 december 2013 en 9 januari 2014 heeft de gemeente [appellant 2] verzocht - onder verwijzing naar zijn wettelijke onderhoudsplicht - inlichtingen omtrent zijn maatschappelijke en financiële omstandigheden te verstrekken, teneinde de verhaalsbijdrage nader te kunnen vaststellen. Volgens de gemeente heeft [appellant 2] daaraan geen gehoor gegeven.
3.4.
De gemeente heeft daarop de door [appellant 2] ten behoeve van [zoon] verschuldigde verhaalsbijdrage ambtshalve vastgesteld op een bedrag van € 770,- per maand.
3.5.
Op 20 januari 2014 heeft de gemeente het besluit tot verhaal van kosten van bijstand schriftelijk aan [appellant 2] meegedeeld.
3.6.
Omdat [appellant 2] de verlangde bedragen niet heeft betaald, heeft de gemeente op 11 juni 2014 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, een verzoekschrift tot verhaal van kosten van bijstand ingediend. Het voornemen daartoe van de gemeente is bij brief van 23 april 2014 aan [appellant 2] medegedeeld.
3.7.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de door [appellant 2] aan de gemeente verschuldigde bijdrage ten behoeve van [zoon] voor de periode van
12 december 2013 tot en met 30 april 2014 op € 3.576,77 bepaald en met ingang van
1 mei 2014 op € 770,- per maand, zulks zolang de bijstandverlening aan de vrouw en [zoon] voortduurt.
3.8.
Appellante kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.9.
Appellante voert - kort samengevat - het volgende aan.
[appellant 2] heeft niet de draagkracht om een onderhoudsbijdrage voor [zoon] te betalen zoals door de gemeente is verzocht.
[appellant 2] heeft een inkomen onder bijstandsniveau en hij heeft veel schulden. Bij beschikking van 10 maart 2014 is een bewind ingesteld over alle goederen die aan hem toebehoren of zullen toebehoren. [appellant 2] heeft een aanvraag gedaan voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Niet duidelijk is hoe de gemeente de behoefte van [zoon] heeft vastgesteld.
[appellant 2] betwist dat hij naar de gemeente toe niet heeft gereageerd. Hij heeft telefonisch contact met de gemeente opgenomen en, zoals hij ter zitting van het hof heeft verklaard, met de heer [vertegenwoordiger gemeente 1] gesproken.
3.10.
De gemeente voert - kort samengevat - het volgende aan.
De rechtbank heeft het verzoek van de gemeente terecht toegewezen. Het verhaalsbesluit is op goede gronden genomen. [appellant 2] heeft geen enkele medewerking verleend aan het verhaalsonderzoek. Dat [appellant 2] ook overigens nergens op heeft gereageerd, roept vragen op, zoals de vraag of [appellant 2] misschien zwart werkt. Voor het geval de overgelegde financiële gegevens correct zijn, kan [appellant 2] voor [zoon] in elk geval de minimale bijdrage van € 25,- per maand voldoen.
De door [appellant 2] bij het beroepschrift overgelegde gegevens zijn nog steeds onvoldoende om de werkelijke behoefte van [zoon] te kunnen bepalen en een juiste draagkrachtberekening te kunnen opstellen. Het vakantiegeld dat [appellant 2] ontvangt, dient overigens ook bij de berekening van de draagkracht van [appellant 2] te worden betrokken, aldus de gemeente.
3.11.
Het hof overweegt als volgt.
3.12.
Ingevolge artikel 62 vanPro de Wet werk en bijstand is het college bevoegd om de verstrekte bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht te verhalen op de onderhoudsplichtige.
3.13.
Het hof stelt vast dat [appellant 2] op grond van artikel 1:392 vanPro het Burgerlijk Wetboek onderhoudsplichtig is jegens [zoon] . Bij de bepaling van de door [appellant 2] verschuldigde (en door de gemeente te verhalen) bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] wordt enerzijds rekening gehouden met de behoefte van [zoon] en anderzijds met de draagkracht van [appellant 2] .
3.14.
Daargelaten de behoefte van [zoon] is naar het oordeel van het hof uit de in hoger beroep overgelegde stukken voldoende gebleken dat [appellant 2] niet de draagkracht heeft om de door de gemeente verzochte verhaalsbijdrage te voldoen.
Daartoe overweegt het hof het volgende.
Sinds 11 april 2013 ontvangt [appellant 2] van [Services] Services B.V. te [vestigingsplaats 2] een ziekengelduitkering van € 198,60 netto per week. In april 2015 is deze uitkering geëindigd en sedertdien ontvangt [appellant 2] van het UWV een arbeidsongeschiktheidsuitkering van
€ 831,40 netto per maand. Desgevraagd heeft de gemeente ter zitting van het hof verklaard dat uit het door de gemeente geraadpleegde Suwinet geen andere inkomsten van [appellant 2] blijken.
Mede in aanmerking nemend dat [appellant 2] een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op basis van volledige arbeidsongeschiktheid en dat de gemeente ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant 2] over andere inkomsten beschikt, zal het hof uitsluitend uitgaan van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die [appellant 2] van het UWV ontvangt.
[appellant 2] heeft veel schulden. Blijkens de bij de brief van de gemeente [woonplaats] d.d. 22 april 2015 gevoegde lijst van schuldeisers, bedragen de schulden van [appellant 2] € 61.421,65.
In maart 2015 is ten aanzien van [appellant 2] een onderbewindstelling uitgesproken. Ter zitting heeft appellante verklaard dat bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant thans een verzoek voorligt tot toelating van [appellant 2] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
3.15
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant 2] evenmin de draagkracht om de minimale bijdrage van € 25,- per maand voor [zoon] te voldoen, zoals door de gemeente aanvullend, subsidiair is verzocht, aangezien, zo volgt uit het voorgaande, [appellant 2] niet meer te besteden heeft dan 90% van de bijstandsnorm.
3.16.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het inleidend verzoek van de gemeente alsnog afwijzen.
4.De beslissing
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 3 september 2014;
en opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af het inleidend verzoek van de gemeente;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke,
E.L. Schaafsma-Beversluis en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op