Partijen zijn in 2006 gehuwd en hebben drie minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding in 2014 werd de hoofdverblijfplaats van de kinderen nog niet definitief bepaald. De rechtbank bepaalde in oktober 2014 dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader hebben.
De moeder ging in hoger beroep en voerde aan dat de vader geen veilige en gestructureerde opvoeding biedt, mede vanwege de vondst van een wietplantage in zijn woning en vermeend geweld. Zij stelde dat de kinderen bang voor hem zijn en dat zij zelf beter in staat is voor de kinderen te zorgen met ondersteuning.
De vader ontkende de aantijgingen, benadrukte zijn medewerking aan de zorg- en omgangsregeling en gaf aan dat de woning inmiddels is verhuisd na een besluit van de gemeente. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het hoofdverblijf bij de vader te laten.
Het hof oordeelde dat de zorgen van de moeder, behalve de wietplantage, niet werden bevestigd en dat de kinderen zich goed ontwikkelen bij de vader. De relatie tussen de moeder en de dochter herstelt zich langzaam. Het hof achtte een wijziging van het hoofdverblijf niet in het belang van de kinderen en bevestigde de beschikking van de rechtbank.
Het hof adviseerde tevens om de zorgregeling voor de dochter uit te breiden met een weekend per twee weken bij de moeder, ter bevordering van haar ontwikkeling en gemoedstoestand.