De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor verduistering tot een voorwaardelijke geldboete van €1.500 met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bestudeerd en de gronden van het vonnis overgenomen, met enkele aanpassingen in de formulering van de bewijsoverweging en de bijzondere voorwaarde. Het hof vernietigde het vonnis ten aanzien van de strafoplegging en deed in zoverre opnieuw recht.
De advocaat-generaal had een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar gevorderd, terwijl de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleitte. Het hof legde uiteindelijk een voorwaardelijke geldboete van €1.500 op met een proeftijd van twee jaar en stelde als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen vier weken na het onherroepelijk worden van het arrest alle papieren die aan hem waren overhandigd door de aangeefster, aan haar teruggeeft.
Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en verduidelijkte dat het retentierecht niet kan worden ingeroepen op de papieren die niet door de verdachte zijn bewerkt. De strafoplegging werd aangepast en artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht werd niet langer als toepasselijk beschouwd.