In deze zaak betreft het een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van hun minderjarige kind na echtscheiding. De vader verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem en een verruiming van de zorgregeling, terwijl de moeder dit betwistte en de bestaande regeling wilde handhaven.
Het hof heeft het verzoek van de vader beoordeeld aan de hand van de belangen van het kind. De vader stelde zorgen over de opvoeding en communicatie met de moeder, maar kon deze onvoldoende onderbouwen. De moeder stelde dat zij voldoende voor het kind zorgt en dat het kind de dupe is van de conflicten tussen ouders.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde dat de ouders hun communicatie moeten verbeteren en vond de huidige zorgregeling redelijk. Het hof oordeelde dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van het kind is en dat de marginale verruiming van de zorgregeling niet gerechtvaardigd is.
Het verzoek tot afwijzing van de vervangende toestemming voor inschrijving op een nieuwe school werd ingetrokken door de vader. Het hof benadrukte het belang van verbetering van de ouderlijke communicatie onder professionele begeleiding.
Uiteindelijk bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank Limburg van 24 oktober 2014 en wees het verzoek van de vader af.