Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vrouw],
[de man],beiden wonende te [woonplaats],
1.Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 475556 cv expl 12-2023)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het schriftelijk pleidooi van [appellante 1] en [appellant 2];
- de pleitaantekeningen van [Assuradeuren].
3.De beoordeling
"(…) De Ohra heeft inderdaad binnen de wettelijke opzegtermijn voor u ([appellant 2]) opgezegd per 1 januari 2011. Echter hebben wij geen opzegging van de Ohra ontvangen voor mevrouw [appellante 1] en uw dochter (…)",moet het ervoor worden gehouden dat de overeenkomst voor [appellant 2] in elk geval direct per 1 januari 2011 is geëindigd en dat het door [Assuradeuren] gestelde inlooprisico hier niet speelt. Een en ander betekent dat de zorgverleners hun declaraties met betrekking tot [appellant 2] over 2011 niet bij [Assuradeuren] hadden moeten indienen, maar bij Ohra, de opvolgend zorgverzekeraar. Dat [Assuradeuren] niettemin tot betaling van deze declaraties is overgegaan, kennelijk zonder eerst in haar eigen administratie te controleren of de zorgontvanger (nog) bij haar verzekerd was, komt voor haar eigen rekening en risico. [appellante 1] en [appellant 2] staan daarbuiten nu de gestelde grondslag voor verhaal van het eigen risico van deze betalingen – de zorgverzekeringsovereenkomst voor het jaar 2011 – ontbreekt.