In deze civiele zaak stond een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een kort geding vonnis centraal, waarbij de man was gegijzeld wegens niet-betaling van kinderalimentatie. De voorzieningenrechter had eerder de man in gijzeling gesteld totdat een bedrag van €11.862,57 was voldaan.
De man verzocht het hof om de tenuitvoerlegging te schorsen, stellende dat sprake was van misbruik van bevoegdheid, een kennelijke misslag in het vonnis, en een noodsituatie vanwege betalingsonmacht en gijzeling. Hij voerde aan dat het LBIO een bedrag van €2.345,- had ontvangen uit derdenbeslag, wat niet was meegenomen in het vonnis.
De vrouw betwistte deze stellingen en vorderde afwijzing van het verzoek. Het hof oordeelde dat het belang van de vrouw bij nakoming van de onderhoudsverplichting en de inning van kinderalimentatie zwaarder woog dan het belang van de man bij schorsing. Het hof verwierp de stellingen van de man over een kennelijke misslag en noodsituatie en wees de incidentele vordering af. De beslissing over de kosten werd aangehouden tot de hoofdzaak.