ECLI:NL:GHSHE:2015:3489

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 september 2015
Publicatiedatum
11 september 2015
Zaaknummer
F 200.161.920_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging nihilstelling bijdrage levensonderhoud en studie na inkomensverlies vader

De zaak betreft een hoger beroep van twee meerderjarige dochters tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die de bijdrage van hun vader in hun levensonderhoud en studie met ingang van 1 december 2012 op nihil heeft gesteld. De vader was sinds september 2012 werkloos en ontving vanaf februari 2013 een WW-uitkering.

De dochters betwistten de nihilstelling en verzochten het hof de beschikking te vernietigen, althans de ingangsdatum van de nihilstelling later te laten ingaan. De vader stelde dat hij vanaf december 2012 niet meer over voldoende draagkracht beschikte om bij te dragen.

Het hof oordeelde dat de wijziging van omstandigheden, namelijk het inkomensverlies van de vader, een herbeoordeling rechtvaardigt en dat de draagkracht van de vader niet langer in geschil is. Hoewel het begrijpelijk is dat de dochters teleurgesteld zijn over het gebrek aan communicatie van de vader, leidt dit niet tot een latere ingangsdatum van de nihilstelling.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het meer of anders verzochte af. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: De nihilstelling van de bijdrage van de vader in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn dochters wordt bekrachtigd met ingang van 1 december 2012.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 10 september 2015
Zaaknummer: F 200.161.920/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/195568 / FA RK 14-2645
in de zaak in hoger beroep van:
[dochter 1]en
[dochter 2],
beiden wonende te
[woonplaats 1],
appellanten,
hierna te noemen: [dochter 1] en [dochter 2],
advocaat: mr. R.R.J.W. Delsing,
tegen
[de man],
wonende te
[woonplaats 2],
verweerder,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. C.C.J. van Pol.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 oktober 2014.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2014, hebben [dochter 1] en [dochter 2] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man in zijn inleidend verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit verzoek te ontzeggen c.q. het verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, dan wel dat het hof een beslissing neemt die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 februari 2015, heeft de man verzocht [dochter 1] en [dochter 2] in het door hen ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit hoger beroep af te wijzen als rechtens ongegrond en/of onbewezen met veroordeling van [dochter 1] en [dochter 2] in de kosten van dit hoger beroep.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • [dochter 1] en [dochter 2], bijgestaan door mr. Delsing;
  • de man, bijgestaan door mr. M.J. Rubberg, kantoorgenoot van mr. Van Pol.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V-formulier met bijlagen d.d. 19 juni 2015, van de advocaat van [dochter 1] en [dochter 2].
- de V-formulieren met bijlagen d.dis 1 en 2 juli 2015, namens de advocaat van de man;

3.De beoordeling

3.1.
De man is gehuwd geweest met [de vrouw] (hierna: de vrouw). Uit dit huwelijk zijn geboren:
- [dochter 1], op [geboortedatum 1] 1993 te [woonplaats 2];
- [dochter 2], op [geboortedatum 2] 1995 te [woonplaats 2].
3.2.
Bij beschikking van 19 februari 1998 heeft de rechtbank Maastricht de kinderalimentatie die de man aan de vrouw dient te voldoen ten behoeve van [dochter 2] vastgesteld op fl. 250,= per maand (€ 113,45).
3.3.
Voorts heeft de rechtbank Maastricht bij beschikking van 12 juni 2001 de kinderalimentatie die de man aan de vrouw dient te voldoen ten behoeve van [dochter 1] vastgesteld op € 113,45 per maand.
3.4.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging van voormelde beschikkingen van 19 februari 1998 en 12 juni 2001, de bijdragen die de man dient te voldoen in de kosten van levensonderhoud en studie van [dochter 1] en [dochter 2] met ingang van 1 december 2012 vastgesteld op nihil.
3.5.
[dochter 1] en [dochter 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
Het hof overweegt als volgt.
Wijziging van omstandigheden
3.6.
Het hof overweegt dat op grond van de door de man in het onderhavige hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat hij per september 2012 werkeloos is geworden en dat aan hem met ingang van 1 februari 2013 een WW-uitkering is toegekend. Deze verandering in de inkomenssituatie levert naar het oordeel van het hof een wijziging van omstandigheden op in de zin van het eerste lid van artikel 1:401 BW Pro en rechtvaardigt een hernieuwde beoordeling van de behoefte en draagkracht.
Draagkracht van de man
3.7.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man tot december 2012 de verschuldigde bijdragen ten behoeve van zijn dochters heeft voldaan en dat er daarna geen betalingen meer hebben plaatsgevonden. De man heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn eerder ingenomen standpunt dat hij met ingang van december 2012 over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage te kunnen leveren in de kosten van levensonderhoud en studie van [dochter 1] en [dochter 2]. Ter zitting van het hof hebben [dochter 1] en [dochter 2], bij monde van hun advocaat, bevestigd dat de man onvoldoende financiële ruimte heeft om een bijdrage te kunnen leveren in hun levensonderhoud en studie. Het hof constateert aldus dat de draagkracht van de man niet langer in geschil is tussen partijen.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de rechtbank terecht de bijdragen van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [dochter 1] en [dochter 2] op nihil heeft gesteld. De bestreden beschikking ligt in zoverre voor bekrachtiging gereed.
Ingangsdatum
3.8.1.
Hoewel [dochter 1] en [dochter 2] zich erbij hebben neergelegd dat zij onder de huidige omstandigheden niet langer financieel worden ondersteund door de man, verzoeken zij het hof om de nihilstelling op een later moment te laten ingaan. De man is per december 2012
– zonder enige uitleg – ineens gestopt met het betalen van de verschuldigde onderhoudsbijdragen en pas in oktober 2013 zijn [dochter 1] en [dochter 2] ervan in kennis gesteld dat aan de man een WW-uitkering was toegekend.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij toentertijd met zichzelf in de knoop zat en dat hij het niet aandurfde om [dochter 1] en [dochter 2] eind 2012 te bellen. Voorts heeft de man bevestigd dat hij per december 2012 is gestopt met betalen van de onderhoudsbijdragen en dat hij heeft nagelaten dit te communiceren met [dochter 1] en [dochter 2].
3.8.2.
Aan [dochter 1] en [dochter 2] kan worden toegegeven dat het op de weg van de man had gelegen om hen te informeren over zijn veranderde inkomenssituatie vóórdat hij de betalingen stopte. Het hof heeft begrip voor de gevoelens van [dochter 1] en [dochter 2] hierover. Evenwel kan het enkele feit dat de man [dochter 1] en [dochter 2] eind 2012 in het ongewisse heeft gelaten over zijn financiële situatie er, naar het oordeel van het hof, niet toe leiden dat de ingangsdatum van de nihilstelling op een later moment wordt vastgesteld. Achteraf is immers, zo is ook bevestigd door [dochter 1] en [dochter 2], voldoende duidelijk geworden dat de man met ingang van 1 december 2012 niet langer over draagkracht beschikt(e) om enige bijdrage te voldoen.
Het hof zal de bestreden beschikking, ook voor wat betreft de ingangsdatum, bekrachtigen.
Behoefte van [dochter 1] en [dochter 2] en bewijsaanbod van de man
3.9.
Gelet op het feit dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd bij gebrek aan draagkracht zijdens de man, behoeven de grieven van [dochter 1] en [dochter 2] betrekking hebbend op hun behoefte geen nadere bespreking, evenmin als het bewijsaanbod van de man.
Proceskosten
3.10.
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep instanties worden gecompenseerd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
compenseert de proceskosten in hoger beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, C.A.R.M. van Leuven en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2015.