ECLI:NL:GHSHE:2015:3547

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 september 2015
Publicatiedatum
14 september 2015
Zaaknummer
F 200.173.961-01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.1 lid 2 JwArt. 6.1.2 lid 1 JwArt. 6.1.2 lid 2 JwArt. 6.1.2 lid 3 JwArt. 6.1.2 lid 5 Jw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging gesloten uithuisplaatsing minderjarige in jeugdzorg

De zaak betreft het hoger beroep van een minderjarige, hierna appellante genoemd, tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die een machtiging tot gesloten uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden heeft verleend. De appellante is opgenomen in een gesloten jeugdzorgvoorziening vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, waaronder suïcidegevaar en automutilatie.

Appellante voert aan dat zij gemotiveerd is voor hulpverlening en dat de gesloten plaatsing niet langer noodzakelijk is. Zij wenst de therapie buiten de gesloten setting te volgen en stelt dat de machtiging dient te worden opgeheven of verkort. De gecertificeerde instelling (GI) stelt dat de gesloten plaatsing noodzakelijk blijft om de therapie te waarborgen en dat de machtiging moet blijven gelden tot de gestelde termijn.

Het hof overweegt dat aan de wettelijke vereisten voor de machtiging is voldaan en dat alle betrokkenen het eens zijn dat de ernstige problematiek de gesloten plaatsing destijds rechtvaardigde. Hoewel de situatie verbetert en appellante meer vrijheden krijgt, is de machtiging volgens het hof nog noodzakelijk om de therapietrouw en het proces zorgvuldig te waarborgen. De termijnverkorting wordt afgewezen om druk op het herstelproces te voorkomen.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van appellante af, waarbij de gesloten uithuisplaatsing tot uiterlijk 15 december 2015 gehandhaafd blijft.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing tot uiterlijk 15 december 2015 en wijst het beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 10 september 2015
Zaaknummer : F 200.173.961/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/206888/JE RK 15-1277
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Icarus te [plaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. F.W. Oehlen,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd en mede kantoorhoudende te Roermond,
verweerster,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
Als informant wordt aangemerkt:
- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 juni 2015.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 juli 2015, heeft [appellante] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de GI tot haar uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg voor de duur van één jaar, zal worden afgewezen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2015, heeft de GI – naar het hof begrijpt – verzocht het hoger beroep van [appellante] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [appellante] , bijgestaan door mr. A. Crombag (die waarnam voor mr. Oehlen);
- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting] ;
-de moeder;
Tevens is verschenen:
- de vader, die als informant door het hof is gehoord.
2.3.1.
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] geboren [appellante] .
3.2.
Bij beschikking van 20 april 2015 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, [appellante] met ingang van 20 april 2015 tot 20 april 2016 onder toezicht gesteld van de GI en voor dezelfde periode machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [appellante] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3.3.
Bij beschikking van 3 juni 2015 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, aan de GI met ingang van 3 juni 2015 een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van vier weken ten behoeve van [appellante] . Tevens heeft de rechtbank een nadere zitting bepaald en iedere verdere beslissing aangehouden.
3.4.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, aan de GI met ingang van 15 juni 2015 tot uiterlijk 15 december 2015 ten aanzien van [appellante] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend.
3.5.
[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
[appellante] voert in het beroepschrift – kort samengevat – het volgende aan.
[appellante] heeft een belaste voorgeschiedenis en een complex familie- c.q. gezinssysteem, waarbij familieleden zich mengden in de opvoeding van [appellante] en elkaars gezag ondermijnden. [appellante] kampt hierdoor met loyaliteitsproblemen.
De rechtbank heeft volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat zij de vele kansen die haar zijn geboden, niet heeft gegrepen. [appellante] is het niet eens met de wijze waarop de stichting heeft gerapporteerd omtrent de gang van zaken rondom haar geplande behandeling bij de Mutsaersstichting. Zij wil wel degelijk meewerken aan hulpverlening maar zij wijst erop dat zij in het verleden veel negatieve ervaringen met hulpverlening heeft opgedaan en dat het haar tijd kost om zich voor hulpverlening open te stellen.
Het was volgens [appellante] bovendien de bedoeling dat de hulpverlening van de Mutsaersstichting direct zou starten na haar verblijf bij Rubicon. De GI heeft echter nagelaten een verlenging van het verblijf bij Rubicon aan te vragen, zodat [appellante] zonder enige vorm van hulpverlening is thuisgeplaatst. Zij en de moeder hebben daardoor geen goede start kunnen maken.
[appellante] voelt zich op de groep bij Icarus diep ongelukkig. Het is een drukke groep waar jongeren dagelijks schreeuwen en met spullen gooien. Dit leidt bij haar tot stressgevoelens. De leiding en de gedragswetenschapper zijn tevreden over haar houding in de groep. [appellante] is rustig en doet wat van haar wordt gevraagd. Er is echter veel onduidelijkheid en ‘gebakkelei’ over (de financiering van) de hulpverlening die [appellante] buiten de gesloten instelling zou moeten volgen. De gedragswetenschapper heeft ook de vraag gesteld wat de meerwaarde van een gesloten plaatsing is als [appellante] buiten de instelling haar therapie dient te volgen en daar zelfstandig naartoe dient te reizen.
[appellante] wenst de therapie van de Mutsaersstichting graag buiten de instelling althans vanuit een open groep te volgen, zodat zij dichter bij huis is en de moeder bij de systeemtherapie betrokken kan worden.
3.6.1.
Ter zitting heeft [appellante] in aanvulling op het vorenstaande aangevoerd dat haar bij Icarus inmiddels meer vrijheden worden gegund, zoals bezoeken aan en een geregeld verblijf bij de moeder. Op zondag 23 augustus 2015 zal zij worden overgeplaatst naar een gezinshuis, dus naar een verblijf met een open karakter. [appellante] is echter ook thans nog van mening dat de machtiging dient te worden opgeheven of dat de duur daarvan dient te worden beperkt tot 1 oktober 2015. Indien in de visie van de GI er (wederom) een zorgelijke situatie zou ontstaan, kan de GI immers een nieuwe machtiging verzoeken. Aan de gronden voor deze zware maatregel, die een ultimum remedium hoort te zijn, wordt nu niet voldaan.
[appellante] betreurt het voorts dat zij, na lang wachten, slechts één uur per week therapie krijgt, die bovendien niet gericht is op het gezinssysteem. [appellante] zou graag zien dat op korte termijn de volgende stap wordt gezet, te weten thuisplaatsing bij de moeder met inzet van therapie die gericht is op het verbeteren van de relatie tussen haar en de moeder. [appellante] meent dat dit een haalbare stap is, nu zij sinds 3 juni 2015 al vaak bij de moeder heeft verbleven, hetgeen goed is verlopen.
3.7.
De GI heeft in het verweerschrift de (hulpverlenings)geschiedenis van [appellante] (en het gezin) sinds februari 2007 weergegeven. [appellante] heeft in haar leven al veel meegemaakt. Zij is getuige geweest van huiselijk geweld, haar moeder heeft psychische problemen en haar vader kampt met verslavingsproblematiek.
Op 25 februari 2015 is [appellante] met spoed opgenomen in het ziekenhuis vanwege een suïcidepoging. Daarna verbleef zij bij Rubicon Jeugdzorg. Voor de gebeurtenissen nadien verwijst de GI naar het verzoek om de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp. Op 12 mei 2015 is met de Mutsaersstichting een behandelplan opgesteld. Ondanks hetgeen [appellante] hierover zelf heeft verteld en ook thans nog verklaart, was het voor de GI en de andere betrokken hulpverleningsinstanties (GTB en de Mutsaersstichting) duidelijk dat [appellante] de behandelafspraken niet zou gaan nakomen.
Volgens de GI is de rode draad in de afgelopen maanden geweest dat [appellante] wel met woorden aangaf hulp te willen, maar dat zij op de momenten dat zij hierin zelf actief moest worden, andere keuzes heeft gemaakt. Gezien de ernst van de problematiek – automutilatie en suïcidegevaar – kon de veiligheid van [appellante] zonder behandeling niet meer worden gewaarborgd en omdat gevreesd werd dat [appellante] zou weglopen of onderduiken, is dit verzoek middels een spoedprocedure gedaan.
Omtrent de actuele stand van zaken verklaart de GI het volgende.
[appellante] heeft het moeilijk binnen de gesloten jeugdzorg. Zij kan zelf niet meer bepalen wat er gebeurt en zij kan moeilijke situaties ook niet meer ontlopen. Dit leidt bij [appellante] tot verdriet, protest en het mobiliseren van de voor haar belangrijke volwassenen. Voor het eerst in al die tijd zijn die het met elkaar eens: [appellante] heeft hulp nodig, maar niet binnen de gesloten jeugdzorg. Bij [appellante] is inmiddels ook het besef ontstaan dat verzet en weglopen niet leiden tot veranderingen. Nu weglopen niet meer kan, moet zij met zichzelf aan de slag. Daartoe zijn nu de eerste stappen gezet. De wekelijkse ambulante begeleiding is op 30 juli 2015 gestart. Volgens de GI moet [appellante] zo lang als nodig en zo kort als mogelijk in de gesloten instelling blijven. Het verblijf kan worden beëindigd zodra [appellante] probleembesef laat zien, een eigen hulpvraag kan formuleren en door inzet en betrokkenheid laat zien daarmee serieus aan de slag te gaan. In een trajectplanbespreking op 27 juli jl. is al gekeken of er mogelijkheden zijn om [appellante] binnen Icarus naar een minder belastende, meer open groep over te plaatsen. Binnen de therapieën dient ook aandacht te zijn voor de vraag waar [appellante] uiteindelijk het beste zou kunnen gaan wonen.
3.7.1.
Ter zitting heeft de GI in aanvulling op het vorenstaande aangevoerd dat het gesloten kader nodig was om [appellante] de noodzakelijk geachte therapie te laten volgen en haar te laten inzien dat zij daarvan kan profiteren. Er hebben tot nu drie sessies plaatsgevonden. In een e-mailbericht aan de gezinsvoogd heeft de therapeut over [appellante] verklaard dat zij therapietrouw is, maar dat de situatie nog kwetsbaar is.
De GI is van mening dat het aan [appellante] is om te laten zien dat zij de hulp accepteert en dat het niet langer nodig is om de machtiging voor de plaatsing in een gesloten setting te gebruiken. Het is niet de intentie van de GI om [appellante] tot december 2015 in de gesloten setting te houden. [appellante] geniet nu al meer vrijheden en zij zal op korte termijn naar een “open” gezinshuis worden overgeplaatst. De GI heeft ter zitting van het hof ook toegezegd de mogelijkheden te zullen onderzoeken of [appellante] met ingang van het nieuwe schooljaar buiten de instelling onderwijs zou kunnen volgen. Het is volgens de GI van belang dat [appellante] ook dan de therapie blijft volgen en dat in dit kader onderzocht wordt waar [appellante] ’s toekomst ligt. Dit kan op een neutrale plek zijn, maar ook bij de moeder. In het laatste geval dient eerst de relatie tussen [appellante] en de moeder verstevigd te worden. Hoe dan ook dient de volgende stap goed voorbereid te worden. Als de termijn waarvoor de machtiging geldt, wordt verkort komt er te veel druk op dit proces te staan. Als het in het gezinshuis onverhoopt mis mocht gaan, kan [appellante] op basis van de machtiging ieder moment weer teruggeplaatst worden.
3.8.
De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij achter de overplaatsing naar het gezinshuis staat en dat zij daar blij mee is.
[appellante] krijgt steeds meer verlof. De moeder merkt ook dat [appellante] gemotiveerder wordt voor therapie. [appellante] laat bijvoorbeeld schema’s zien die zij tijdens de therapie maakt en daar vertelt zij dan met enthousiasme over.
De moeder is van mening dat geen overhaaste beslissingen moeten worden genomen. In de huidige aanpak mist zij echter wel dat zij en [appellante] ergens naar toe kunnen leven.
[appellante] en de moeder hebben samen om systeemtherapie gevraagd. Dit staat volgens de moeder los van waar [appellante] in de toekomst zal verblijven. Er moet meer ingezet worden op de relatie tussen [appellante] en de moeder, omdat dit een terugkerend thema is.
3.9.
De vader heeft ter zitting verklaard dat hij het vervelend vindt dat hij van de hulpverlening niet of nauwelijks informatie over [appellante] krijgt. Hij spreekt [appellante] telefonisch tweemaal per week, maar hij zou graag eens een keer bij een informatiegesprek aanwezig willen zijn.
Voorts vindt de vader het van belang dat [appellante] vanaf het komende schooljaar ‘regulier’ onderwijs kan volgen, in plaats van het onderwijs dat haar bij Icarus wordt geboden.
3.10.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.10.1.
Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden.
Op die grond komt aan [appellante] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.
3.10.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:
  • er bij [appellante] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;
  • de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [appellante] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.10.3.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
3.10.4.
Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.
Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.
3.10.5.
Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de formele vereisten van artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub a, lid 5 en lid 6 Jw.
3.10.6.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw.
3.10.7.
Gelet op de voorhanden zijnde gegevens en het verhandelde ter zitting overweegt het hof voorts het volgende.
Thans zijn alle betrokkenen het erover eens dat ten tijde van de beschikking in eerste aanleg de ernstige zorgen over [appellante] , plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg rechtvaardigden. Voorts zijn alle betrokkenen het er over eens dat [appellante] therapie nodig heeft, maar dat het strikte regime van een gesloten setting op dit moment niet meer nodig is om ervoor te zorgen dat zij die therapie daadwerkelijk volgt. [appellante] laat thans zien dat zij therapietrouw is en in een zekere mate gemotiveerd is voor de behandeling.
De GI hanteert als uitgangspunt dat de plaatsing niet langer dient te duren dan noodzakelijk wordt geacht. [appellante] heeft gaandeweg meer vrijheden gekregen en zij zou in het weekend na de zitting van het hof, op zondag 23 augustus 2015, overgeplaatst worden naar een gezinshuis. Voorts heeft de gezinsvoogd ter zitting toegezegd te zullen onderzoeken of er mogelijkheden zijn dat [appellante] op haar ‘oude’ school onderwijs gaat volgen.
3.10.8.
Het hof is van oordeel dat de weg die de GI voor [appellante] heeft uitgestippeld zorgvuldig tot stand is gekomen, met inachtneming van de mogelijkheden van [appellante] en de door haar sinds de opname in de gesloten setting getoonde inzet.
Hoewel [appellante] op korte termijn feitelijk niet meer in een gesloten setting zal verblijven, is het hof is van oordeel dat de machtiging en de daarmee geboden duidelijkheid en begrenzing, ook thans nog noodzakelijk zijn om [appellante] optimaal te kunnen laten profiteren van de therapie. Hoewel [appellante] zich inzet voor therapie en daarvoor zelfs een zeker enthousiasme laat zien, moet nog blijken of en in hoeverre [appellante] voor de therapie intrinsiek gemotiveerd is. [appellante] zal nog moeten leren om ook in toekomst hulp te blijven accepteren; niet alleen omdat anderen dat willen, maar omdat zij zelf ervaart dat zij daar baat bij heeft.
Tevens wordt door de machtiging, die op 15 december 2015 eindigt, gewaarborgd dat het onderzoek naar en de voorbereiding op de overgang naar het toekomstige verblijf van [appellante] niet onder (tijds)druk komen te staan. Het hof acht het met de GI van belang dat niet wordt gezocht naar een plaatsing die het snelst gerealiseerd kan worden, maar naar de beste plaatsing voor [appellante] op de lange termijn. Op grond van het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat ook een verkorting van de termijn van de bij de bestreden beschikking gegeven machtiging tot 1 oktober 2015, niet aangewezen is.
3.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 juni 2015,
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, E.L. Schaafsma-Beversluis en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2015.