In deze zaak gaat het om een geschil over de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage die de man aan zijn jongmeerderjarige dochter moet betalen. De rechtbank Limburg had bepaald dat de bijdrage van € 325 per maand ingaat vanaf 1 mei 2014. De dochter was het hier niet mee eens en ging in hoger beroep.
De dochter stelde dat de bijdrage al vanaf 1 juli 2012 had moeten ingaan, omdat de man vanaf die datum geen dubbele woonlasten meer had door verhuur van de voormalige echtelijke woning. Het hof oordeelde echter dat de man pas vanaf de datum van het verzoekschrift kennis kon hebben van de onderhoudsplicht en dat de dochter onvoldoende had aangetoond dat zij hem eerder had aangesproken.
Het hof wees ook het verweer van de dochter af dat de rechtbank het zelfgeschreven verweer van de man niet expliciet had moeten negeren, omdat dit geen gevolgen had voor het procesbelang. Het hof bekrachtigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.