De vrouw en de man zijn in 2006 in Marokko gehuwd. Sinds november 2009 verkeert de vrouw in een vegetatieve toestand na een coma. De rechtbank Maastricht stelde in 2012 de ouders van de vrouw aan als haar mentoren.
De ouders van de vrouw verzochten de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken, maar werden niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep voerden zij aan dat de vrouw zelf partij is, vertegenwoordigd door hen als mentoren, en dat de vrouw haar wil tot echtscheiding al had geuit voordat zij in coma raakte.
De man stelde dat het huwelijk uit liefde was gesloten, er geen duurzame ontwrichting is, en dat de ouders als mentoren niet bevoegd zijn een echtscheidingsverzoek in te dienen omdat de vrouw zelf niet in staat is haar wil te bepalen.
Het hof oordeelde dat de vrouw vanwege haar comateuze toestand niet in staat is haar wil omtrent echtscheiding te bepalen, wat noodzakelijk is voor ontvankelijkheid. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van mentoren strekt niet zo ver dat zij namens de betrokkene een echtscheidingsverzoek kunnen indienen. De eerdere wil van de vrouw leidt niet tot een ander oordeel.
Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep af.