De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor gijzeling en vrijheidsberoving, maar in hoger beroep oordeelt het hof dat gijzeling niet bewezen kan worden omdat het oogmerk niet gericht was op het dwingen van een ander dan de gijzelaar zelf.
Het hof acht wel bewezen dat verdachte samen met anderen [A] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en gehouden. Dit gebeurde met fysiek en getalsmatig overwicht, waarbij [A] werd gedwongen in een auto te stappen en in een woning te verblijven.
De verdediging voerde aan dat de ontmoeting op verzoek van [A] was, maar het hof verwierp dit op basis van getuigenverklaringen, videobeelden en het ontbreken van ontlastend gedrag van verdachte.
De straf wordt verhoogd ten opzichte van de rechtbank tot 450 dagen gevangenisstraf, waarvan 280 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege de ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof houdt ook rekening met tragische persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het overlijden van familieleden, en het feit dat verdachte sinds de eerdere veroordeling geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.