Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen van 1980 tot 2005 en sloten voorafgaand aan hun echtscheiding een convenant waarin de verdeling van de gemeenschap van goederen werd geregeld, inclusief een woonboerderij in België. In het convenant werd als peildatum 30 september 2003 vastgesteld voor de omvang en waardering van de gemeenschap, en werd bepaald dat kosten na deze datum voor rekening van de betreffende partij komen.
De man vorderde vergoeding van de helft van de kosten voor de afwerking van de woonboerderij, begroot op €77.953,96, deels bestaande uit materiaalkosten en zelfwerkzaamheden. De rechtbank kende hem slechts €37.000 toe en wees zijn vordering voor de materiaalkosten af, omdat deze uit gemeenschappelijke middelen waren betaald. De man ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat een vergoedingsrecht alleen kan bestaan indien de kosten uit eigen middelen van de man zijn betaald, niet uit gemeenschappelijke gelden. De man kon niet voldoende onderbouwen dat hij de materiaalkosten uit eigen middelen had voldaan; zijn bewijsaanbod was onvoldoende specifiek. Daarom werden zijn grieven verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.