Appellant was sinds 1 mei 2000 in dienst bij geïntimeerde als grafisch afwerker. Op 5 april 2012 vroeg geïntimeerde het UWV om toestemming voor ontslag op bedrijfseconomische gronden, welke op 3 mei 2012 werd verleend. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd per 1 augustus 2012 zonder vergoeding.
Appellant stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat onnodig een ontslagvergunning was aangevraagd en er een disproportionele impact was voor hem. Tevens voerde hij aan dat geïntimeerde andere kostenbesparingen had kunnen doorvoeren. Ook stelde appellant dat hem geen outplacementtraject was aangeboden en dat hij door zijn leeftijd, gezondheid en inkomensschade extra bescherming verdiende.
Het hof oordeelde dat geïntimeerde zijn beleidsvrijheid had om te bepalen hoe kosten te reduceren en dat de door appellant genoemde alternatieven onvoldoende onderbouwd waren om het ontslag onredelijk te maken. Het hof stelde vast dat een outplacementtraject was aangeboden en dat appellant zelf de voortzetting daarvan had belemmerd. De gevolgen van het ontslag waren niet zodanig ernstig dat het ontslag kennelijk onredelijk was. De grieven van appellant werden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.