Partijen hadden een affectieve relatie die in 2003 eindigde, waaruit twee kinderen zijn geboren, waarvan één jongmeerderjarig en één minderjarig. De rechtbank had bepaald dat de man €139 per kind per maand aan kinderalimentatie moest betalen. De man kwam in hoger beroep met het verweer dat hij geen draagkracht had vanwege zijn toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).
Het hof nam kennis van de Wsnp-status van de man en de brief van de rechtbank waarin werd bevestigd dat tijdens de Wsnp geen draagkracht voor alimentatie bestaat. De man heeft een netto besteedbaar inkomen van €1.223 per maand, wat volgens de tabellen een draagkracht van €25 per kind per maand oplevert. De stelling van de vrouw dat de man meer zou moeten gaan werken werd niet gevolgd vanwege de Wsnp-regeling.
Het hof besloot de bijdrage van de man vast te stellen op €25 per kind per maand met ingang van het einde van de Wsnp. Voor de jongmeerderjarige geldt de bijdrage als een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, direct aan haar te voldoen. De eerdere beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en de nieuwe regeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.