De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van haar minderjarige zoon door de gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank Limburg had de ondertoezichtstelling verlengd tot 29 mei 2016. De moeder betoogt dat zij voldoende heeft meegewerkt en dat verdere verlenging onnodig is.
Het hof overweegt dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd vanwege zijn kwetsbaarheid, beperkte cognitieve capaciteiten en impulsief gedrag. De moeder heeft weliswaar vooruitgang geboekt, maar kan het geleerde niet consistent volhouden, mede door frustratie over het gedrag van haar zoon. De situatie thuis is recent geëscaleerd en de minderjarige is meerdere keren met politie in aanraking geweest.
Het hof acht daarom verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk, maar beperkt deze tot negen maanden tot 29 februari 2016. De GI moet concrete doelen en stappen voor beëindiging van de maatregel formuleren. De moeder wordt aangespoord het gesprek met de GI aan te gaan en de hulpverlening te accepteren. De beschikking van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd en het verzoek tot verlenging na 29 februari 2016 wordt afgewezen.