Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
-onder aanvulling van de gronden
-worden bekrachtigd.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens een totale schuldenlast van €87.935,11, waaronder een clusterschuld aan het CJIB van €15.499,13. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de boetes van het CJIB grotendeels onterecht waren opgelegd en het gevolg waren van cumulatie van relatief lichte overtredingen, mede veroorzaakt door betalingsonmacht en psychosociale problemen. Tevens stelde hij dat hij uit morele overwegingen zakelijke schulden privé had afgelost en momenteel werkzaam is met perspectief op betere inkomsten.
Het hof oordeelde dat belastingschulden en boetes aan het CJIB naar hun aard niet te goeder trouw waren ontstaan. Het ontbreken van jaarstukken en onvoldoende onderbouwing van andere schulden versterkten dit oordeel. Psychosociale problematiek werd erkend, maar zonder bewijs van beheersbaarheid en behandeling kon dit niet leiden tot toelating.
Gelet op deze omstandigheden bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.