Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/295185 / KG ZA 15-90)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, bevattend een vermeerdering van eis, met producties;
- de memorie van antwoord met producties, waarvan de Maatschap tijdens het pleidooi productie 19 heeft ingetrokken;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
‘vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan’.
‘Ik snap dat ik getekend heb voor borg van de twee hypotheken van Aris. Maar moet ik ook zijn achterstallige rente betalen? Die kan hij echt zelf wel betalen. (…)’. [adviseur BBP] heeft hierop gereageerd bij e-mailbericht van 14 januari 2015, 15:06 u, en wel als volgt:
‘Je hebt niet als borg getekend, maar je hebt wel bij akte dd 25-05-2009 (hypotheekvestiging) de woning aan de [adres] te [plaats] als zekerheid gegeven voor alle vorderingen (inclusief renten, provisies en kosten) aan jullie beide. Zowel zakelijk als privé. (…)’. (productie 12 dagvaarding iea). [appellante] heeft vervolgens geantwoord bij e-mailbericht van 14 januari 2015, 15:12 u en wel als volgt:
‘Ok, dit gaat dus over de hypotheek van Aris. Hoe zit dat dan met de zakelijke lening? Moet ik daar ook de debetstand van betalen? En gaan jullie nog rente van Aris proberen te krijgen? Ik had gisteren bij de rechter met hem waarbij hij stelde dat hij nog steeds aan jullie betaald. Dat zou dus wel heel plezierig zijn voor mij’. Bij e-mailbericht van 14 januari 2015, 16:05 u, heeft [adviseur BBP] [appellante] ervan op de hoogte gesteld dat de hypotheekakte van 2009 betrekking had op alle vorderingen op naam van VBP (en van [beheer] Beheer B.V. en [appellante] Beheer en Advies B.V.). Het e-mailbericht werd als volgt afgesloten:
‘per omgaande doch in ieder geval aanstaande vrijdag’het bedrag van € 68.949,39 terug te betalen en is zij, voor het geval dat niet (volledig en tijdig) zou gebeuren, in gebreke gesteld.
- dat [appellante] uitsluitend recht kan doen geleden op het restant van de koopsom na aftrek van alle op de woning rustende hypothecair verbonden vorderingen (grieven 1 en 2),
- dat de nota van afrekening geen rechtsgrond vormt voor de betaling van het op 4 februari 2015 overgeboekte bedrag (grieven 1 en 4),
- dat [appellante] in verband met de nota van afrekening ook geen beroep toekomt op artikel 3:35 BW Pro (grief 5), en
- dat [appellante] daarom op grond van onverschuldigde betaling € 68.908,81 (en wettelijke rente en beslagkosten) dient te betalen aan de Maatschap (grief 3).
‘levering van de woning conform de koopovereenkomst’verschillend uitleggen; het hof komt daar hierna op terug (zie de r.o. 3.7.4. en 3.7.9.-3.7.10.).
‘De notaris is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening’) en verder aan de hem verleende opdrachten.
‘vrij van hypotheken (…) en inschrijvingen daarvan’was geleverd.
geensprake is geweest van een betaling zonder rechtsgrond. [appellante] doet hiertoe een beroep op het bepaalde in artikel 25 leden Pro 3 en 4 WNA.
‘vrij van hypotheken (…) en inschrijvingen daarvan’nog niet was verzekerd. Van een recht op uitkering in de zin van artikel 25 lid 4 WNA Pro van enig bedrag aan geld op de kwaliteitsrekening was daarom ten tijde van de betaling op 4 februari 2015 geen sprake.
‘Een rechthebbende heeft (…) te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening.’Een foutieve nota van afrekening kan niet afdoen aan het recht op het aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening, maar kan ook geen recht doen ontstaan op méér dan dit saldo.
exclusiefbevoegd - om op eigen naam een vordering uit onverschuldigde betaling zoals de onderhavige in te stellen.
- dat [appellante] uitsluitend recht kan doen geleden op het restant van de koopsom na aftrek van alle op de woning rustende hypothecair verbonden vorderingen,
- dat de nota van afrekening geen rechtsgrond vormt voor de betaling van het op 4 februari 2015 overgeboekte bedrag,
- dat [appellante] in verband met de nota van afrekening ook geen beroep toekomt op artikel 3:35 BW Pro, en
- dat [appellante] daarom op grond van onverschuldigde betaling € 68.908,81 dient te betalen aan de Maatschap.
€ 1.937,=