Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[CB] B.V.,
Coöperatieve Rabobank [vestigingsnaam] U.A.,
1.Het verloop van de procedure
- voornoemde dagvaardingen van 12 en 10 december 2013;
- de memorie van grieven tevens houdende vermeerderingen en een wijziging van eis, waarbij producties zijn overgelegd;
- de zijdens CB genomen memorie van antwoord;
- de zijdens de Rabobank genomen memorie van antwoord;
2.Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. C/02/255302 / HA ZA 12-699)
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
“ (…)
Ingeval de aandeelhouders van schuldenaar en/of haar aandeelhouders (…) de aandelen in schuldenaar verkopen”en niet “indien een aandeelhouder van schuldenaar (…) de aandelen in schuldenaar verkoopt” of een soortgelijke tekst. [appellante] heeft wat dit artikel betreft gesteld dat de betrokkenheid van [aandeelhouder en bestuurder 1] voor haar van essentieel belang was. Voldoende nadere onderbouwing van die stelling ontbreekt, mede omdat in art. 10 geen Pro concrete verwijzing naar [aandeelhouder en bestuurder 1] is opgenomen. Uit het enkele feit dat het in eerste instantie de bedoeling is geweest om zaken te doen met [aandeelhouder en bestuurder 1] kan zonder voldoende toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat in de later gesloten schuldbekentenis met “aandeelhouders” ook is bedoeld “een aandeelhouder”. Dit alleen al omdat is gesteld noch gebleken dat een en ander ook met de andere aandeelhouder [aandeelhouder en bestuurder 2] is besproken.
heeft en/of zal verkrijgen uit hoofde van verstrekte en/of te verstrekken geldleningen, verleende en/of te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen dan wel uit welken anderen hoofde ook”zoals is vermeld in de achterstellingsovereenkomst. De stelling van [appellante] dat de Rabobank geen enkele reden heeft om toestemming voor betalingen aan [appellante] te weigeren omdat er volgens haar geen redenen zijn om aan te nemen dat CB niet aan haar betalingsverplichtingen jegens de Rabobank zal kunnen blijven voldoen (nr. 21 memorie van grieven) vindt geen steun in de net cursief weergegeven bepaling in de achterstellingsovereenkomst. Daarin is immers niet opgenomen dat de Rabobank toestemming tot betaling dient te verstrekken indien CB geen achterstand heeft in haar betalingsverplichtingen aan de Rabobank. Het feit dat de Rabobank mogelijk voldoende zekerheden voor haar vordering heeft bedongen betekent evenmin dat Rabobank haar toestemming niet mag onthouden. Dergelijke zekerheden vormen immers laatste redmiddelen, waarnaar de Rabobank niet eerder hoeft te grijpen dan nadat is gebleken dat CB niet voldoet aan haar verplichtingen ten opzichte van der Rabobank.