Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
4.Gronden
5.Beslissing
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de WOZ-waarde van een woning op een erfpachtperceel centraal, met als waardepeildatum 1 januari 2012. De heffingsambtenaar stelde een waarde van €353.000 vast, onderbouwd met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten. Belanghebbende betwistte dit en verwees naar de verkoop van een vrijwel identieke woning op erfpachtbasis.
De Rechtbank stelde de waarde vast op €315.000 en verklaarde het bezwaar gegrond. De heffingsambtenaar ging hiertegen in hoger beroep bij het Hof. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar niet had voldaan aan zijn bewijslast, onder meer omdat één referentieobject niet vergelijkbaar was en de prijs per kubieke meter niet inzichtelijk was gemaakt. Belanghebbende had ook niet voldoende onderbouwd in hoeverre de erfpacht de verkoopprijs beïnvloedde.
Het Hof stelde daarom de waarde in goede justitie vast op €315.000, gelijk aan de uitspraak van de Rechtbank, en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De griffierechten werden aan de heffingsambtenaar opgelegd, maar proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak is op 11 december 2015 gedaan.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de WOZ-waarde van de woning op €315.000 en verklaart het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond.