In deze civiele zaak stond de vraag centraal of geïntimeerde de kredietovereenkomst had ondertekend. Het hof benoemde een deskundige die concludeerde dat de betwiste handtekeningen hoogstwaarschijnlijk door geïntimeerde waren gezet, zonder aanwijzingen voor valsheid of nabootsing.
Geïntimeerde betwistte de handtekeningen en verzocht om een contra-expertise bij het Nederlands Forensisch Instituut, omdat het in eerste aanleg bepaalde deskundigenonderzoek door toedoen van De IJssel niet had plaatsgevonden. Het hof wees dit verzoek af omdat de feitelijke vaststellingen van de deskundige niet gemotiveerd waren betwist en de gewijzigde proceshouding van De IJssel niet leidde tot strijd met de goede procesorde.
Het hof oordeelde dat geïntimeerde hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering van De IJssel, inclusief de hoofdsom, de kredietvergoeding van 9,6% per jaar, en de buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten werden deels toegewezen en deels gecompenseerd vanwege de gewijzigde proceshouding in eerste aanleg. Het vonnis van de rechtbank Middelburg werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.