De Woonstichting vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens structurele huurachterstanden van de huurders, die sinds 2007 de woning huren. De huurders hadden herhaaldelijk betalingsachterstanden, waarvoor zij meerdere malen werden gesommeerd. De kantonrechter wees de vordering toe.
In hoger beroep voerden de huurders aan dat de achterstand ten tijde van dagvaarden minder dan twee maanden bedroeg en dat zij sinds februari 2014 de huur volledig betaalden. Tevens stelden zij dat het woonbelang van hun zeven kinderen, die speciaal onderwijs volgen, zwaarwegend is en ontbinding niet gerechtvaardigd is.
Het hof oordeelde dat ondanks de verbeterde betaling de langdurige en herhaalde wanbetaling een toerekenbare tekortkoming vormt die ontbinding rechtvaardigt. Het belang van de kinderen weegt niet zwaarder dan de wanprestatie, mede omdat de huurders zelf het risico hebben veroorzaakt en het niet de taak van de verhuurder is om voor onderdak te zorgen. Een termijn voor betaling (terme de grace) werd niet toegekend.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de huurders in de proceskosten van het hoger beroep.