Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2015:5270

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2015
Publicatiedatum
18 december 2015
Zaaknummer
F 200.174.283_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 Verordening Brussel II bisArt. 15 lid 5 Verordening Brussel II bisArt. 1:377a Burgerlijk WetboekHaags Kinderbeschermingsverdrag 1996 art. 15 lid 1Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 art. 17
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsverzoek grootmoeder wegens zwaarwegend belang kinderen

De grootmoeder had bij de jeugdrechtbank te Antwerpen een omgangsregeling met haar kleinkinderen [kind 1] en [kind 2] gevraagd, welke werd toegekend. De ouders kwamen hiertegen in hoger beroep en voerden aan dat de grootmoeder haatdragend is jegens de moeder en dat omgang schadelijk zou zijn voor de kinderen, mede vanwege hun medische kwetsbaarheid en de noodzaak tot isolatie.

Het hof stelde vast dat de gewone verblijfplaats van de kinderen inmiddels Nederland is, waardoor het hof bevoegd is op grond van Verordening Brussel II bis. Het toepasselijke recht is Nederlands recht. Het hof oordeelde dat hoewel omgang met grootouders in beginsel in het belang van het kind is, de zwaarwegende belangen van de kinderen zich nu tegen omgang verzetten.

De ernstige verstoorde relatie tussen grootmoeder en ouders, de medische situatie van de kinderen en het mislukte bemiddelingstraject maken omgang op dit moment niet uitvoerbaar en niet in het belang van de kinderen. Daarom vernietigt het hof het eerdere vonnis en wijst het het verzoek van de grootmoeder af. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het verzoek van de grootmoeder tot omgang met de kleinkinderen wordt afgewezen wegens het zwaarwegende belang van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 17 december 2015
Zaaknummer: 200.174.283/01
(rolnummer Hof van beroep te Antwerpen: 2015/FA/17)
(rolnummers Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout: 1119.B.2012-269.B.2014)
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
en
[appellante],
wonende te
[woonplaats 1],
appellanten,
hierna ook te noemen: de vader respectievelijk de moeder, tezamen te noemen de ouders,
advocaat: mr. M. Koppelmans-de Goeij,
tegen
[verweerster],
wonende te
[woonplaats 2], België,
verweerster,
hierna ook te noemen: de grootmoeder.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Na verwijzing van het hof van beroep van Antwerpen (hierna: hof van beroep) bij arrest van 16 juni 2015.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank in Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout (hierna jeugdrechtbank), van 10 oktober 2014.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof van beroep op
9 januari 2015, hebben de ouders verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de grootmoeder in haar verzoek ontvankelijk te verklaren doch dit verzoek af te wijzen als ongegrond, althans een eventueel omgangsrecht van de grootmoeder afhankelijk te stellen van het volgen en slagen van bemiddeling.
2.2.
De grootmoeder heeft ter zitting bij het hof van beroep verzocht om bekrachtiging van het bestreden vonnis.
2.3.
Het hof van beroep heeft bij arrest van 16 juni 2015 het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzocht op grond van artikel 15 lid 1 sub b Verordening Pro Brussel II bis zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen.
2.4.
Bij beschikking van 28 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar dit hof.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 november 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door mr. Koppelmans-de Goeij;
- de grootmoeder.
2.6.
De raad is niet ter zitting verschenen.
2.7.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het rechtsplegingsdossier van het hof van beroep.

3.De beoordeling

3.1.
De ouders zijn op [huwelijksdatum] 2012 met elkaar gehuwd.
Uit de ouders zijn geboren:
- [kind 1], op [geboortedatum 1] 2011 te [plaats 1] (België), en
- [kind 2], op [geboortedatum 2] 2013 te [plaats 2] (België).
3.2.
Op 23 juli 2012 en 20 februari 2014 heeft de grootmoeder vaderszijde bij de jeugdrechtbank Turnhout verzoeken ingediend om haar recht op persoonlijk contact met [kind 1] en [kind 2] te kunnen uitoefenen (rolnr. 119.B.2012 respectievelijk rolnr. 269.B.2014). Bij vonnis van de jeugdrechtbank van 11 april 2014 zijn beide zaken gevoegd.
3.3.
Bij het vonnis waarvan beroep is aan de grootmoeder een recht op persoonlijk contact met de beide kinderen toegekend eenmaal per maand, nader overeen te komen tussen partijen en bij gebrek aan akkoord, de zaterdag afwisselend met de zondag van 18.00 uur tot 20.00 uur, voor het eerst op zaterdag 18 oktober 2014, met de verplichting voor de ouders om de kinderen naar de grootmoeder te brengen en hen daar op te halen. Voorts is daarbij de zaak voor evaluatie en verdere behandeling gesteld op een latere zitting.
3.4.
De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De ouders voeren, zakelijk weergegeven het volgende aan.
De grootmoeder is ronduit haatdragend jegens de moeder. Zij heeft allerlei uiterst gevoelige informatie met betrekking tot de moeder verzameld en zij weigert te verduidelijken waar zij de informatie vandaan heeft. Bijkomend heeft zij een aantal grove en uiterst ingrijpende leugens verspreid met betrekking tot de moeder en [kind 1]. Het is zeer ongezond en destructief voor de kinderen omgang te hebben met een persoon - ook al is zij de grootmoeder - die zoveel haat draagt naar hun moeder. Alleen al om die reden is het niet in het belang van de kinderen dat zij enige omgang opbouwen met de grootmoeder. Het zou hen verwarren en nodeloos ongelukkig maken, terwijl zij reeds een moeilijk leven leiden. Immers, en dit is een tweede argument, de kinderen moeten wekelijks naar het ziekenhuis. Beide kinderen moeten elke week een infuus krijgen met antistoffen, waarna zij verplicht drie dagen binnen dienen te blijven en absoluut dienen te vermijden dat zij in contact komen met mogelijke virussen, aangezien dit voor hen desastreuze gevolgen kan hebben. Noodgedwongen worden de kinderen geïsoleerd opgevoed. Een omgangsrecht zoals bepaald in het vonnis kan gelet op vorenstaande in de praktijk niet worden uitgevoerd.
Los van dit alles hebben de ouders zeer grote vraagtekens bij de drijfveren van de grootmoeder, nu zij behalve de onderhavige procedure, nooit een poging ondernam om zich als grootmoeder op te stellen naar de kinderen: [kind 1] heeft ooit eenmaal een verjaardagskaart ontvangen, [kind 2] heeft nog nooit iets van haar vernomen. De ouders kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de grootmoeder slechts volhardt in deze procedure om de moeder te raken.
3.6.
De grootmoeder voert ter zitting aan dat beide partijen verantwoordelijk zijn voor de slechte verstandhouding tussen partijen. Het enige wat ik vraag, zo stelt zij, is dat ik mijn kleinkinderen mag zien.
3.7.
Het hof overweegt als volgt.
Aanvaarding bevoegdheid
3.8.1.
Het hof stelt vast dat het inleidende verzoek van de grootmoeder valt binnen het materieel toepassingsgebied van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van
27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel II-bis).
3.8.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 Verordening Pro Brussel II bis kunnen de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen.
3.8.3.
Bij de beoordeling van het verzoek van het hof van beroep is doorslaggevend of sprake is van een bijzondere band van de kinderen met Nederland waardoor de rechter alhier beter in staat is dan de rechter te Antwerpen om de zaak in het belang van de kinderen te behandelen. De ouders hebben zich in februari 2014 om medische redenen met de kinderen in Nederland gevestigd. Zij hebben ook de intentie in Nederland te blijven wonen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de gewone verblijfplaats van de kinderen van België naar Nederland is verplaatst. Gelet hierop volgt het hof het hof van beroep in zijn oordeel dat de Nederlandse rechter beter dan de Belgische rechter in staat is om te oordelen over de omgangsregeling tussen de kinderen en de grootmoeder. Mitsdien zal het hof zijn bevoegdheid in de onderhavige zaak als bedoeld in lid 5 van voornoemd artikel aanvaarden.
Toepasselijk recht
3.9.1.
Het geschil betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb.1997, 299 (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). Dit verdrag gaat uit van het Gleichlauf-beginsel: de rechter die bevoegd is, past zijn eigen recht toe (artikel 15 lid Pro 1).
Voorts bepaalt artikel 17 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 dat de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, wordt de uitoefening beheerst door het recht van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats.
3.9.2.
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen thans in Nederland is en het hof zich bevoegd acht op het hoger beroep te beslissen, zal het hof het verzoek van de grootmoeder naar Nederlands recht beoordelen.
Omgang (recht op persoonlijk contact)
3.10.1.
Ingevolge lid 2 van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
3.10.2.
Nog daargelaten de vraag of tussen de grootmoeder en de kinderen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat is het hof van oordeel dat, hoewel omgang met een grootouder in beginsel in het belang van een kind moet worden geacht, het zwaarwegende belang van de kinderen zich thans tegen omgang met de grootmoeder verzet.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
3.10.3.
Uit de overgelegde stukken en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat de verstandhouding tussen de grootmoeder en de ouders thans zodanig ernstig is verstoord, dat het voor de ouders, mede gelet ook op de grote druk die er op het gezin ligt in verband met de medische situatie van de kinderen en die van de moeder, niet mogelijk is vorm te geven aan een omgangsregeling tussen de grootmoeder en de kinderen. De gebrouilleerde verhouding tussen partijen biedt evenmin voldoende basis voor bemiddeling tussen de grootmoeder en de ouders. Een eerder aangegaan bemiddelingstraject, zo is onweersproken door de ouders gesteld, heeft ook niet geleid tot een verbetering van de verstandhouding, maar tot een escalatie. Het voorgaande brengt mee dat omgang tussen de grootmoeder en de kinderen op dit moment naar het oordeel van het hof in strijd moet worden geacht met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Het hof zal het verzoek van de grootmoeder tot omgang met de kinderen dan ook alsnog afwijzen.
3.11.
Gelet op het familierechtelijk karakter van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4.De beslissing

Het hof:
aanvaardt overeenkomstig artikel 15 lid 5 Verordening Pro Brussel II bis ten aanzien van:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [plaats 1] (België), en
- [kind 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [plaats 2] (België),
zijn bevoegdheid in de onderhavige zaak uit te oefenen;
vernietigt het vonnis van de rechtbank in Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout, van 10 oktober 2014, voor zover aan het oordeel van het of onderworpen, derhalve voor zover het betreft de daarbij vastgestelde omgangsregeling tussen voornoemde minderjarigen en de grootmoeder;
wijst alsnog af het verzoek van de grootmoeder tot omgang met voornoemde minderjarigen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en
J.U.M. van der Werff en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2015.