In deze zaak stond een geschil centraal over de geldigheid van een concurrentiebeding en de beëindiging van een arbeidsovereenkomst binnen de taxibranche. Het hof bevestigde dat het concurrentiebeding vernietigd moet worden voor zover het een werkingsduur van meer dan zes maanden heeft en matigde de boete wegens overtreding van het beding tot €7.500.
Daarnaast was in geschil of de arbeidsovereenkomst onregelmatig was opgezegd zonder inachtneming van de opzegtermijn. De appellant bracht bewijs aan dat de geïntimeerde tijdens een gesprek in oktober 2010 had ingestemd met een beëindiging per 14 oktober 2010. Een getuige bevestigde het gesprek en de woorden van de geïntimeerde, die duidelijk maakten dat hij de arbeidsrelatie direct wilde beëindigen zonder uitwerkperiode.
Het hof oordeelde dat de woorden van de geïntimeerde als toestemming konden worden opgevat voor directe beëindiging met wederzijds goedvinden. Hierdoor was de vordering tot schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging niet toewijsbaar. Het hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover het het concurrentiebeding en de boete betrof, en bekrachtigde het voor de overige onderdelen, waaronder de toewijzing van achterstallig salaris en vakantietoeslag.
De kosten van het geding werden verdeeld conform de uitkomst van de procedure, waarbij de appellant en geïntimeerde elk hun eigen kosten droegen in het principaal hoger beroep, en de geïntimeerde werd veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.