ECLI:NL:GHSHE:2015:5457

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 december 2015
Publicatiedatum
4 januari 2016
Zaaknummer
14/00845
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AWBArt. 7 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990Art. I Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 8:75 AWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake onterechte persoonsgebonden aftrek bij inkomstenbelasting 2010

Belanghebbende deed aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2010 met een belastbaar inkomen van € 2.836, waarbij een restant persoonsgebonden aftrek van € 3.233 van de echtgenoot werd meegenomen. De echtgenoot had deze aftrek reeds in 2008 toegepast en de aanslag staat onherroepelijk vast. Het Hof oordeelt dat belanghebbende ten onrechte deze aftrek nogmaals heeft toegepast.

Belanghebbende verzocht tevens om kwijtschelding van de aanslag 2010 en uitstel van betaling. Het Hof stelt zich onbevoegd uit hoofde van de Algemene wet bestuursrecht en de Invorderingswet 1990 over deze verzoeken te oordelen. Ook het bezwaar van belanghebbende dat de hoorplicht zou zijn geschonden wordt verworpen, omdat zij voldoende gelegenheid had haar bezwaar mondeling toe te lichten.

De uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt door het Hof bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend en het griffierecht wordt niet vergoed. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het Hof bevestigt dat belanghebbende ten onrechte persoonsgebonden aftrek toepaste en verklaart zich onbevoegd over verzoeken tot kwijtschelding en uitstel van betaling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 14/00845
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 juli 2014, nummer AWB 13/6981, in het geding tussen
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de Inspecteur,
betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV), aanslagnummer [aanslagnummer] .H.06.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 4 december 2015 te ‘s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heer [A] en mevrouw [B] . Belanghebbende en diens gemachtigde zijn met kennisgeving van verhindering niet verschenen.
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 18 december 2015, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof
-
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.

Gronden

Ten aanzien van het geschil
1. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.836. Belanghebbende heeft hierbij een restant persoonsgebonden aftrek uit 2008, ten bedrage van € 3.233, van de echtgenoot van belanghebbende in aanmerking genomen.
2. De echtgenoot van belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2008 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 3.509 en hierbij een negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen ten bedrage van € 36.000 én een persoonsgebonden aftrek van € 3.233 in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2008 aan de echtgenoot van belanghebbende de aftrek van € 36.000 geweigerd. Bij het aldus vastgestelde belastbare inkomen van € 32.491 is de persoonsgebonden aftrek reeds in aanmerking genomen. De aanslag IB/PVV 2008 van de echtgenoot van belanghebbende staat inmiddels onherroepelijk vast (Hoge Raad 13 februari 2015, nr. 14/03504, ECLI:NL:HR:2015:277). Belanghebbende heeft, naar het oordeel van het Hof, bij het doen van de aangifte IB/PVV 2010 dan ook ten onrechte een restant persoonsgebonden aftrek in mindering gebracht aangezien deze persoonsgebonden aftrek reeds bij de aanslag IB/PVV 2008 van de echtgenoot van belanghebbende in aanmerking is genomen.
3. Belanghebbende verzoekt verder om kwijtschelding van de aanslag IB/PVV 2010. Ingevolge artikel 8:5, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: AWB) in verbinding met artikel 7 Uitvoeringsregeling Pro Invorderingswet 1990, is het Hof niet bevoegd over een verzoek om kwijtschelding van betaling te oordelen. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot belanghebbendes verzoek om uitstel van betaling. Voorts bepaalt artikel 8:5, eerste lid, AWB in verbinding met artikel I van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dat tegen een besluit genomen op grond van de Invorderingswet 1990, geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.
4. Belanghebbende stelt zich verder nog op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden.
De Rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen:
“2.5 Belanghebbende heeft gesteld dat zij ten onrechte niet is gehoord. Uit de stukken van het geding volgt dat belanghebbende bij brief van 3 september 2013 door de inspecteur in de gelegenheid is gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten. De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 6 november 2013. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur belanghebbende voldoende mogelijkheid geboden te worden gehoord. Van schending van de hoorplicht is dan geen sprake.”
Het Hof onderschrijft deze overweging van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne.
Ten aanzien van het griffierecht
5. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.
Ten aanzien van de proceskosten
6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus gedaan door P.A.G.M. Cools, voorzitter, T.A. Gladpootjes en F. Sonneveldt, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 18 december 2015
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.
In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.