Uitspraak
5.Het verdere verloop van de procedure
- de akte uitlaten aan de zijde van de man d.d. 26 september 2014;
- de antwoordakte aan de zijde van de vrouw d.d. 10 oktober 2014.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond het hoger beroep van de man tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant centraal. De man was in eerste aanleg niet verschenen, waarna verstek tegen hem werd verleend. Volgens artikel 335 lid 1 Rv Pro staat het rechtsmiddel van hoger beroep dan niet open. De man voerde aan dat hij door een TIA en herseninfarct tijdelijk geestelijk beperkt was en daardoor niet in staat was zijn belangen te behartigen en tijdig te verschijnen.
De vrouw betwistte deze stellingen en leverde tegenbewijs aan, waaronder gegevens waaruit bleek dat de man in de relevante periode actief was met fietsen en contact had met gerechtsdeurwaarders. Het hof oordeelde dat de man zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat niet was komen vast te staan dat hij daadwerkelijk tijdelijk geestelijk niet toerekeningsvatbaar was.
Ook stelde het hof vast dat de man niet had aangetoond dat hij binnen de termijn verzet had aangetekend tegen het verstekvonnis. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro faalde eveneens omdat geen sprake was van een belemmering die een inhoudelijk oordeel in de zaak onmogelijk maakte. Daarom verklaarde het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens verstek en onvoldoende onderbouwing van tijdelijke geestelijke stoornis.