Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. [C/04/]110654/HA ZA 11-510)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 14 november 2014;
- het herstelexploot tevens voorwaardelijke hoger beroepdagvaarding
- de rolbeslissing van 30 december 2014;
- de akte na rolbeslissing van [appellante].
3.De beoordeling
Voor zover het betoog van [appellante] zou moeten worden opgevat als een beroep op doorbreking van het tussentijds appelverbod van artikel 337 lid 2 Rv Pro, geldt dat de door [appellante] bedoelde doorbrekingsjurisprudentie – waarmee wordt bedoeld dat de eiser ondanks een wettelijk appelverbod toch in zijn vordering kan worden ontvangen indien hij stelt dat de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken – in dat geval niet van toepassing is omdat deze bepaling slechts het moment regelt waarop de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen kan worden uitgeoefend. De stelling van [appellante] dat een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel wordt veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak, leidt niet tot een ander oordeel.