ECLI:NL:GHSHE:2015:616

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 februari 2015
Publicatiedatum
26 februari 2015
Zaaknummer
HD 200.113.097_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 WTBZArt. 30 WTBZArt. 31 WTBZArt. 32 WTBZArt. 33 WTBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid hof inzake begrotingsprocedure advocatendeclaraties

In deze civiele zaak vordert [Advocaten] betaling van declaraties, waarbij partijen zijn verwezen naar de begrotingsprocedure zoals neergelegd in de artikelen 32-40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ). De Raad van Toezicht heeft vóór de inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur een begrotingsbeslissing genomen, die het hof niet bevoegd is te toetsen.

[Appellant] betwist de begroting en verzoekt het hof deze te herzien of te vernietigen wegens feitelijke onjuistheden en onredelijkheid. Het hof stelt echter dat de WTBZ een bijzondere rechtsgang kent voor toetsing en tenuitvoerlegging van de begroting, waarbij het hof niet bevoegd is in deze procedure de begroting te toetsen.

De zaak wordt aangehouden totdat de procedures onder de WTBZ zijn doorlopen en een onherroepelijke beslissing is genomen. Het hof verzoekt [Advocaten] binnen vier maanden te rapporteren over de voortgang van deze procedure. De beslissing over rente, incassokosten en proceskosten wordt aangehouden.

Het arrest is gewezen door het hof 's-Hertogenbosch op 24 februari 2015 en bevestigt de beperkte rol van de burgerlijke rechter bij geschillen over advocatendeclaraties die onder de WTBZ vallen.

Uitkomst: Het hof is niet bevoegd de begrotingsbeslissing van de Raad van Toezicht te toetsen en houdt verdere beslissing aan totdat de bijzondere WTBZ-procedure is doorlopen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.113.097/01
arrest van 24 februari 2015
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. F.A. van den Heuvel te Helmond,
tegen
[Advocaten] B.V., voorheen [Advocaten] Advocaten B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats], tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 30 oktober 2012 en 4 februari 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 208535/HA ZA 10-636 gewezen vonnis van 19 oktober 2011.

9.Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 4 februari 2014;
- de akte van de zijde van [Advocaten] van 6 mei 2014;
- de antwoordakte van de zijde van [appellant] van 3 juni 2014;
- de akte van de zijde van [Advocaten] van 16 september 2014;
- de akte met productie van de zijde van [Advocaten] van 28 oktober 2014;
- de memorie na tussenarrest met productie van de zijde van [appellant] van 2 december 2014;
- de memorie na tussenarrest van de zijde van [Advocaten] van 2 december 2014;
- de antwoordmemorie na tussenarrest met producties van de zijde van [appellant] van 30 december 2014;
- de antwoordmemorie na tussenarrest van de zijde van [Advocaten] van 30 december 2014.
Hierna is arrest bepaald.

10.De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep
10.1.
In het tussenarrest van 4 februari 2014 heeft het hof onder meer geoordeeld dat de burgerlijke rechter deels onbevoegd is het geschil tussen partijen te beoordelen en partijen ter vaststelling van de omvang van de declaraties verwezen naar de begrotingsprocedure zoals neergelegd in artt. 32-40 Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: WTBZ). Het hof heeft de beslissing over de door [Advocaten] gevorderde contractuele rente over de declaraties, de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten aangehouden in afwachting van de uitkomst van de aanhangig te maken begrotingsprocedure.
10.2.
[Advocaten] heeft vervolgens een begrotingsprocedure aanhangig gemaakt bij de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten gevestigd te ’s-Hertogenbosch. De Raad van Toezicht heeft bij beslissing van 13 oktober 2014 de declaraties van [Advocaten] begroot op € 4.162,83. [Advocaten] heeft een afschrift van deze beslissing overgelegd bij haar akte van 28 oktober 2014.
10.3.
Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de uitkomst van de begrotingsprocedure. [Advocaten] stelt zich in haar memorie en antwoordmemorie na tussenarrest op het standpunt dat het hof alleen nog een beslissing hoeft te nemen over de door haar gevorderde contractuele rente over de declaraties, de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. [appellant] voert diverse bezwaren aan tegen de begroting van de Raad van Toezicht en verzoekt het hof in zijn memorie en antwoordmemorie na tussenarrest kort gezegd de begroting te herzien dan wel aan te passen en voor zover nodig te vernietigen. [appellant] stelt dat de begroting een bindend advies is in de zin van de wet en dat het hof bevoegd is om van deze begroting af te wijken, deze te heroverwegen of te vernietigen als er sprake is van feitelijke onjuistheden en/of een (kennelijk) onredelijke beslissing c.q. een onredelijk advies. Volgens [appellant] is dit het geval.
10.4.
Het hof stelt voorop dat op 1 januari 2015 de Wet van 1 oktober 2014 tot aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Stb. 2014, 354, hierna: Wet positie en toezicht advocatuur) in werking is getreden. In artikel III van deze wet wordt de WTBZ ingetrokken. In artikel IV is een bepaling van overgangsrecht opgenomen. Uit dit artikel volgt dat de artikelen 29 tot en met 40 WTBZ, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur, van toepassing blijven op geschillen over het door de advocaat aan de cliënt berekende salaris, in gevallen waarin de rekening van de advocaat is begroot door de Raad van Toezicht vóór het tijdstip waarop de Wet positie en toezicht advocatuur in werking is getreden. Dit betekent dat in de onderhavige zaak de artikelen 29 tot en met 40 WTBZ van toepassing blijven.
10.5.
De artikelen 33 e.v. WTBZ voorzien in een bijzondere rechtsgang voor de verdere toetsing en tenuitvoerlegging van de begrotingsbeslissing van de Raad van Toezicht. Indien de advocaat met de begroting geen genoegen neemt of de cliënt weigerachtig blijft het begrote bedrag te voldoen, wordt het verschuldigde bedrag ingevolge artikel 33 WTBZ Pro nader vastgesteld door de in dat artikel aangewezen rechter. Houden de declaraties van de advocaat verband met de rechtsbijstand verleend in een procedure, dan is dat de voorzitter van het gerecht waarvoor deze procedure heeft gediend. De rechter die het verschuldigde bedrag nader vaststelt, geeft krachtens artikel 37 lid 2 WTBZ Pro tevens een bevel tot tenuitvoerlegging, waarmee de advocaat de betaling kan afdwingen. Indien de advocaat met de nadere vaststelling geen genoegen neemt, kan hij op grond van artikel 37 lid 3 WTBZ Pro bij verzoekschrift de herziening van de begroting verzoeken aan het betreffende gerecht. Voorts kan degene ten laste van wie het bevelschrift is afgegeven, hiertegen op grond van artikel 40 WTBZ Pro verzet instellen. Tegen de beslissing op het verzet en het verzoek tot herziening staat geen voorziening meer open.
10.6.
Gelet op de bijzondere rechtsgang die de WTBZ kent voor de verdere toetsing en tenuitvoerlegging van een begroting is het hof niet bevoegd in de onderhavige procedure de begroting van de Raad van Toezicht te toetsen, zoals [appellant] in zijn memorie en antwoordmemorie na tussenarrest heeft verzocht. [appellant] kan zijn bezwaren tegen de begroting van de Raad van Toezicht en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, aanvoeren in de hiervoor omschreven procedures die op grond van de WTBZ kunnen worden gevoerd.
10.7.
Nu er nog voorzieningen op grond van de WTBZ open staan tegen de begroting van de Raad van Toezicht, is er op dit moment geen sprake van een onherroepelijke beslissing met betrekking tot de hoogte van de declaraties. Het hof kan derhalve in dit arrest nog geen oordeel geven over de door [Advocaten] gevorderde contractuele rente over de declaraties, de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Het hof zal de beslissing hierover aanhouden totdat partijen de verdere procedure zoals voorzien in de WTBZ hebben gevolgd en dit heeft geleid tot een onherroepelijke beslissing. Indien [appellant] het door de Raad van Toezicht begrote bedrag niet aan [Advocaten] wenst te betalen, is het aan [Advocaten] om op grond van artikel 33 WTBZ Pro een verzoek tot nadere vaststelling van de begroting en afgifte van een bevelschrift in te dienen bij de daarvoor aangewezen rechter. Nu artikel 40 WTBZ Pro geen termijn bepaalt waarbinnen verzet tegen een afgegeven bevelschrift kan worden ingesteld, verdient het uit het oogpunt van goede procesorde aanbeveling dat [Advocaten] tevens een verzoek doet om in het bevelschrift een termijn te bepalen (van bijvoorbeeld 4 weken) voor het instellen van verzet.
10.8.
Het hof wenst over vier maanden van [Advocaten] te vernemen wat de uitkomst is van de rechtsgang op grond van de WTBZ, onder toezending van de betreffende beslissing, dan wel in welke stadium de procedure zich bevindt. Zodra er een definitieve beslissing is met betrekking tot de hoogte van de declaraties krijgen beide partijen de gelegenheid zich uit te laten over de consequenties daarvan voor de onderhavige procedure. Gelet op het voorgaande zal het hof de zaak verwijzen naar de rol van 30 juni 2015 voor akte aan de zijde van [Advocaten].

11.De uitspraak

Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
verwijst de zaak naar de rol van 30 juni 2015 voor akte aan de zijde van [Advocaten] met de hiervoor in r.o. 10.8 vermelde doeleinden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, M. van Ham en I. Giesen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 februari 2015.