Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3077566 VV EXPL 14-65)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de ambtshalve verleende akte van niet dienen voor de memorie van antwoord in incidenteel appel.
3.De beoordeling
“Werkgever zal de bijzondere kosten die stagiaire in redelijkheid in verband met de uitoefening van zijn beroep heeft gemaakt volledig vergoeden. De cursuskosten, verbonden aan de Beroepsopleiding advocatuur, komen voor rekening van de werkgever. De kosten van de overige opleidingsmaatregelen waaronder VSO-cursussen, komen te laste van de werkgever.”
.
afwijzenvan zijn vorderingen.
grief 1komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het waarschijnlijk is dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het ontslag op staande voet gegrond is gegeven.
grief 3richt [appellant] zich tegen afwijzing door de kantonrechter van de vordering tot betaling aan de Orde van Advocaten van de financiële bijdrage ad € 775,- (welk bedrag volgens [appellant] abusievelijk in de inleidende dagvaarding is opgenomen, dat moet zijn € 810,82) en de opleidingskosten ad € 242,-. Op grond van het bepaalde in artikel 7 van Pro de arbeidsovereenkomst (zie 3.1 onder b) is [appellant] van mening dat [Advocaat] deze kosten voor haar rekening dient te nemen.
grief 6bestrijdt [appellant] toewijzing door de kantonrechter van het in reconventie gevorderde bedrag ad € 3.104,95. Dit is het bedrag ad € 14.786,96 dat [appellant] aan [Advocaat] diende te betalen bedrag (zijnde het bedrag aan toevoegingsgelden dat hij in oktober 2013 ten onrechte door de Raad voor Rechtsbijstand op zijn eigen rekening had laten overmaken) verminderd met het bedrag dat [appellant] daadwerkelijk aan [Advocaat] heeft terugbetaald. In appel stelt [appellant] dat hij zich voor wat betreft het bedrag van € 3.104,95 beroept op verrekening in verband met door hem betaalde en door [Advocaat] aan hem terug te betalen telefoonkosten en kosten van huur van de garagebox. [Advocaat] betwist de verschuldigd-heid van genoemde twee posten.
incidenteel appelheeft [Advocaat] drie grieven aangevoerd. [Advocaat] heeft aan het slot van de memorie van antwoord geconcludeerd tot (gedeeltelijke) vernietiging van het beroepen vonnis voor zover daarin reconventionele vorderingen zijn afgewezen en tot het alsnog toewijzen van die vorderingen, die volgens het (gewijzigd) petitum luiden:
grief IIklaagt [Advocaat] over afwijzing van de gevorderde dwangsom. Volgens [Advocaat] zaten de gevorderde hoofdveroordelingen
“ietwat ongelukkig” “versleuteld”in de vordering tot het opleggen van een dwangsom en bedoelde zij te vorderen wat zij nu in appel met een gewijzigd petitum vordert (zie 3.27).
grief IIIkomt [Advocaat] op tegen afwijzing van de buitengerechtelijke kosten, de proceskostenveroordeling en de nakosten. Volgens [Advocaat] heeft zij wel degelijk buiten-gerechtelijke kosten gemaakt en zijn er gronden voor een proceskostenveroordeling (inclusief nakosten) ten laste van [appellant].