Belanghebbende, werkzaam als reisleider op een passagiersschip in 2008, vorderde reisaftrek voor woon-werkverkeer in zijn belastingaangifte. De Inspecteur weigerde deze aftrek wegens ontbreken van bewijs van openbaar vervoer en het niet binnen 24 uur reizen heen en terug tussen woning en werkplek.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Tijdens de zitting verklaarde belanghebbende onder meer dat hij op zaterdag verlof kreeg en dan naar huis reisde, maar niet binnen 24 uur terug was op het schip.
Het Hof oordeelde dat niet aannemelijk is gemaakt dat de reizen binnen 24 uur heen en terug zijn gemaakt en dat geen plaatsbewijzen zijn overgelegd. De reisaftrek wordt daarom geweigerd. Daarnaast is het beroep op interne compensatie door de Inspecteur niet weersproken, waardoor de aanslag niet te hoog is opgelegd.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, en er is geen aanleiding voor teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.