In deze civiele procedure stond centraal de vraag of appellant zich jegens de Rabobank in privé had verbonden aan een financieringsovereenkomst die de Rabobank met de BV De Assistenten had gesloten. Het hof vervolgde het tussenarrest van oktober 2014 en beoordeelde het bewijs dat de Rabobank had geleverd ter onderbouwing van haar stelling dat appellant hoofdelijk aansprakelijk was.
De Rabobank bracht als getuige een medewerkster naar voren die verklaarde dat zij de overeenkomst pagina voor pagina met appellant had doorgenomen en hem had medegedeeld dat hij privé mee moest tekenen. Appellant betwistte dit en bracht tegengetuigen in. Het hof oordeelde dat de Rabobank niet de vereiste redelijke mate van zekerheid had geleverd dat appellant zich daadwerkelijk privé had verbonden. De tekst van de akte was onduidelijk, er was geen expliciete mededeling voorafgaand aan ondertekening, en appellant tekende mogelijk namens de BV en een andere entiteit.
Gelet op het bewijsrisico faalde het beroep van de Rabobank op haar algemene voorwaarden. Het hof vernietigde de eerdere vonnissen van de rechtbank en wees de vorderingen van de Rabobank af. Tevens werd de Rabobank veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente, en werd deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.