In deze zaak heeft de appellant verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank had dit verzoek afgewezen omdat niet aannemelijk was dat de appellant te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. De appellant had een onderneming geëxploiteerd waaruit aanzienlijke schulden voortkwamen, waaronder een preferente schuld aan de Belastingdienst.
De appellant voerde in hoger beroep aan dat de schuldenlast lager was dan door de rechtbank vastgesteld en dat zij zich inspande om inkomsten te genereren. Zij overhandigde aanvullende jaarstukken en stelde dat zij te goeder trouw was geweest. Ter zitting gaf zij aan dat haar dienstverband was beëindigd en dat zij een opleiding wilde volgen om haar arbeidsmarktpositie te verbeteren.
Het hof oordeelde dat de omvang en aard van de belastingschuld, die grotendeels bestond uit niet afgedragen omzetbelasting, niet verenigbaar was met goede trouw. De appellant kon onvoldoende toelichting geven op onttrekkingen in de jaarstukken en had niet aannemelijk gemaakt dat zij zich voldoende inspande om inkomsten te genereren. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot schuldsanering af.