ECLI:NL:GHSHE:2016:1331

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 april 2016
Publicatiedatum
8 april 2016
Zaaknummer
200 180 376_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van haar minderjarige dochter door de gecertificeerde instelling (GI). De ondertoezichtstelling was verlengd door de rechtbank Limburg tot 2 juni 2016. De moeder betoogt dat de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige niet zodanig is dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is en dat passende hulp vrijwillig beschikbaar is. Ook wijst zij op positieve ontwikkelingen sinds het begin van een leerwerktraject bij de GGZ.

Het hof heeft de minderjarige gehoord en kennisgenomen van rapportages en verklaringen van betrokkenen, waaronder de vader en de GI. De GI stelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de prille positieve lijn in de ontwikkeling van de minderjarige voort te zetten.

Het hof overweegt dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling vanwege sociaal-emotionele beperkingen en cognitieve achterstanden door schoolverzuim. Tegelijkertijd zijn er positieve signalen, zoals het leerwerktraject en verbeterd contact met de vader. Het hof concludeert dat de moeder en minderjarige de noodzakelijke zorg meer dan voorheen accepteren en dat de hulpverlening positief verloopt.

Daarom vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank voor het deel vanaf de datum van de uitspraak en wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af. De eerdere verlenging tot die datum blijft in stand. Het hof verzoekt tevens om toezending van de uitspraak aan het centraal gezagsregister.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af vanaf de datum van de uitspraak en vernietigt de eerdere beschikking voor dat deel.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 7 april 2016
Zaaknummer : 200.180.376/01
Zaaknummer 1e aanleg : C03/204261 / JE RK 15-708
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: voorheen mr. I.J.M. Gelissen, thans mr. E.L.H. Ketelings,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
regio Midden-Limburg,
verweerster,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 17 augustus 2015 en naar de beschikking van die rechtbank van 27 mei 2015.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 november 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 17 augustus 2015 te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 december 2015, heeft de GI verzocht - naar het hof begrijpt - de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling is aangevangen op 19 januari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord de GI, de raad en als informant de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader). Op die zitting is de behandeling van de zaak aangehouden tot een nader te bepalen zitting om de moeder en haar advocaat in de gelegenheid te stellen in persoon aanwezig te zijn.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 15 maart 2016.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Ketelings;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger 1 van de GI] en de heer [vertegenwoordiger 2 van de GI] .
Tevens is verschenen de vader, die als informant door het hof is gehoord.
2.4.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.
Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting op 19 januari 2016 en op 15 maart 2016 buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van deze verhoren zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 17 augustus 2015;
  • de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 27 november 2015;
  • het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 1 maart 2016.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.
De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 2 december 2014 onder toezicht van de GI.
3.3.
Bij beschikking van 27 mei 2015 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor een periode van drie maanden in afwachting van nadere rapportage door de GI.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 juni 2016.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Er is geen sprake van een zodanig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Volgens de moeder is passende hulp aanwezig voor [minderjarige] en is een vrijwillig kader voldoende. Ook [minderjarige] zelf wil geen ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling heeft een negatief effect op haar gedrag.
De moeder wijst erop dat de psychiater van [minderjarige] , de heer [psychiater] , heeft aangegeven dat verdere gedwongen hulp tot nog meer afkeer bij [minderjarige] zal leiden van contacten met mensen buiten de zigeunergemeenschap.
De moeder is verheugd over de recente positieve ontwikkelingen bij [minderjarige] . Sinds [minderjarige] [leerwerktraject GGZ] bezoekt, gaat het beter met haar. Ook is zij inmiddels behoorlijk in gewicht afgevallen.
Volgens de moeder is de positieve lijn van [minderjarige] aangestuurd vanuit het RIAGG, maar gaat de gezinsvoogd met de eer strijken.
De moeder betwist dat [minderjarige] een negatief beeld over de vader heeft. [minderjarige] heeft contact met de vader, zij het niet op regelmatige en gestructureerde basis. De moeder is inmiddels een procedure tegen de vader gestart tot beëindiging dan wel schorsing van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader. In het kader van deze procedure heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek uit te voeren. Het rapport van de raad is inmiddels gereed. Gelet ook op deze nog lopende procedure is de moeder van mening dat een ondertoezichtstelling geen meerwaarde heeft.
De moeder merkt tot slot op dat de rechtbank in de beschikking waarvan beroep onvoldoende heeft aangegeven of en in hoeverre de mening van [minderjarige] is meegewogen bij de beslissing.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is nog altijd noodzakelijk om de ernstige bedreiging van haar ontwikkeling te doen verminderen. Er is weliswaar sprake van een aantal positieve ontwikkelingen, maar deze zijn nog pril. [minderjarige] is inmiddels gestart bij [leerwerktraject GGZ] . Op 3 maart 2016 en op 10 maart 2016 is zij daar aanwezig geweest. [minderjarige] werkt in de bakkerij. Dat gaat goed. Ook het contact met haar begeleiders bij [leerwerktraject GGZ] verloopt goed. Op 17 maart 2016 vindt er een afstemmingsgesprek plaats, waarbij bezien wordt op welke dagdelen [minderjarige] [leerwerktraject GGZ] zal bezoeken. [minderjarige] heeft de mogelijkheid om gebruik te maken van het maximaal aantal van negen dagdelen per week dat vanuit [leerwerktraject GGZ] geboden kan worden.
Verder is positief dat [minderjarige] - na de relatiebreuk met haar vriend - meer dan voorheen gericht is op zichzelf en aan haar ontwikkeling wil werken.
Ook vinden er weer contacten plaats tussen [minderjarige] en de vader. Deze contacten verlopen goed.
De ondertoezichtstelling is nodig om deze prille positieve lijn door te zetten.
3.7.
De vader heeft ter zitting - kort samengevat - het volgende verklaard. De ondertoezichtstelling schiet zijn doel voorbij. Er is geen vertrouwen in de gezinsvoogd. De GI heeft alleen maar weerstand bij [minderjarige] opgebouwd en angst aangejaagd. [minderjarige] moet de ruimte en vertrouwen krijgen. Zij woont bij de moeder in een liefdevolle omgeving. Bij [leerwerktraject GGZ] doet zij het goed. Verder is er sprake van contactgroei tussen de vader en [minderjarige] .
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.8.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 BW Pro kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
3.8.3.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit, dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat [minderjarige] over onvoldoende sociaal-emotionele capaciteiten beschikt om zich buiten de eigen groep te handhaven, hetgeen maakt dat het van groot belang is dat zij middels een passende dagbesteding andere ervaringen opdoet. Daarbij komt dat zij een grote achterstand heeft in haar cognitieve ontwikkeling, die is ontstaan door veelvuldig schoolverzuim. Verder bestonden er ernstige zorgen over de relatie van [minderjarige] met de vader. [minderjarige] groeide op met een negatief beeld over de vader en had nauwelijks contact met hem.
Bij de moeder en [minderjarige] bestaat veel weerstand tegen gedwongen hulpverlening, waardoor deze tot dusverre onvoldoende resultaat heeft gehad.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige] - met een ontheffing van de leerplichtwet - inmiddels is gestart met een traject bij [leerwerktraject GGZ] , waarbij haar een alternatieve vorm van onderwijs wordt geboden. De GI heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige] het de paar keren dat ze er tot dusverre is geweest goed doet bij [leerwerktraject GGZ] . Tevens is gebleken dat er weer contacten plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader die zowel door de vader als [minderjarige] als positief worden ervaren. [minderjarige] heeft daarnaast aangegeven dat zij veel vertrouwen heeft in de hulpverlening van de GGZ en dat zij de afspraak met de psychiater heeft dat zij waar nodig weer een beroep op hem zal doen.
Het hof ziet in genoemde ontwikkelingen aanwijzingen dat de moeder en [minderjarige] de voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging noodzakelijke zorg thans - meer dan voorheen - accepteren. Het hof vertrouwt er in dat kader op dat de moeder en [minderjarige] zich zullen blijven inzetten om de deelname van [minderjarige] aan de dagbesteding bij [leerwerktraject GGZ] met het maximaal haalbare aantal dagdelen positief te laten verlopen. Het hof vertrouwt er verder op dat, hoewel de contacten tussen de vader en [minderjarige] nog broos zijn, zowel de ouders als [minderjarige] zich blijven inzetten voor een goed contact tussen [minderjarige] en de vader en dat [minderjarige] daadwerkelijk indien dit nodig is contact zal opnemen met de GGZ voor verdere hulp.
Tegen de achtergrond van het voorgaande, waarbij de leeftijd van [minderjarige] tevens een grote rol speelt, zal het hof het inleidende verzoek van de GI alsnog afwijzen met ingang van de datum van deze beschikking.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 17 augustus 2015, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de periode van ondertoezichtstelling vanaf heden,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst het inleidende verzoek af voor zover dit ziet op de periode van beoogde ondertoezichtstelling vanaf heden;
bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling over de periode van 2 september 2015 tot heden;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs,
C.A.R.M. van Leuven en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op
7 april 2016.