Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn gescheiden per 10 oktober 2014. De man is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, met name over de inboedel en drie paarden.
De man stelt dat de vrouw goederen onrechtmatig heeft toegeëigend en verzoekt om afgifte dan wel vergoeding van de waarde. Het hof oordeelt dat de man onvoldoende bewijs levert voor onrechtmatig handelen omtrent de inboedel, behalve de vaatwasser die aan de vrouw wordt toegekend met vergoeding aan de man.
Betreffende de paarden stelt de man dat de vrouw de verkoopopbrengst van een paard heeft verzwegen en dat een ander paard onvindbaar is. Het hof stelt de waarde van het verkochte paard vast op € 5.000,- en veroordeelt de vrouw tot betaling van de helft hiervan aan de man. Voor het verdwenen paard wordt de waarde vastgesteld op € 4.000,- met vergoeding aan de man.
De vrouw hoeft geen bankafschriften van een derde te overleggen. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze de paarden betreft en het hof spreekt een nieuwe beslissing uit. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.