Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de verkoopopbrengst van het paard [paard 3] overeenkomstig de in het geding gebrachte bewijzen vast te stellen op € 6.500,- en de vrouw te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking aan de man te voldoen het bedrag van € 6.500,- ex artikel 3:194 lid 2 BW Pro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de vrouw het paard heeft verkocht, zijnde 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een andere datum die het hof juist acht;
- de vrouw te veroordelen om ex artikel 22 Rv Pro tijdig en voor de mondelinge behandeling van het appel de bankafschriften over de maanden oktober en november 2013 onder nummer [bankrekeningnummer] ten name van de heer [partner van geintimeerde] in het geding te brengen, bij gebreke waarvan het hof wordt verzocht daaruit de gevolgtrekking te maken die het hof geraden acht;
- de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking tot afgifte c.q. levering over te gaan van het paard [paard 1] bij gebreke waarvan in de plaats wordt verzocht om de vrouw binnen vijf dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking te veroordelen de waarde van het paard [paard 1] aan de man te vergoeden, zijnde een bedrag van € 4.500,- ex artikel 3:194 lid 2 BW Pro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2014, zijnde de dag van echtscheiding tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht;
- de man, bijgestaan door mr. Van Ekelen;
- mr. Cilissen namens de vrouw.
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 18 augustus 2014;
- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 28 mei 2015.
3.De beoordeling
- de inboedel (grief 2);
- de paarden (grief 3, 4 en 5).