Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3218544 CV EXPL 14-7645)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met een productie (nr. 5);
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- [geïntimeerde] is in 1987 eigenaar geworden van de woning met aanhorigheden aan het adres [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning).
- Bij schriftelijke koopovereenkomst van 20 juni 2013 heeft [geïntimeerde] de woning verkocht aan [appellante] . In de koopovereenkomst staat onder meer het volgende:
- De riolering van de woning is aangesloten op de riolering behorend bij de woning aan het adres [adres 2] , welke toebehoort aan de heer en mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene] in enkelvoud). De riolering van de woning van [betrokkene] is aangesloten op het gemeentelijk riool.
- Onderaan bladzijde vier van de akte van levering van 23 september 2013 wordt melding gemaakt van een in 1986 gevestigde erfdienstbaarheid van weg gevestigd teneinde het heersende erf (met daarop de woning met het huisnummer [huisnummer adres 1] ) in staat te stellen via de inrit op het lijdende erf (het perceel met daarop de woning met huisnummer [huisnummer adres 2] ) de [straatnaam adres 1 en adres 2] te kunnen bereiken.
- Tussen [betrokkene] en [appellante] is een geschil ontstaan over onder meer, kort gezegd, de reikwijdte van de erfdienstbaarheid van weg. Over dat geschil is gecorrespondeerd tussen de advocaat van [appellante] en de rechtsbijstandsverzekeraar van [betrokkene] . Bij faxbericht van 16 januari 2014, gericht aan de advocaat van [appellante] , heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [betrokkene] de discussie over de erfdienstbaarheid voortgezet en daarnaast het volgende meegedeeld:
- [appellante] heeft bij de inleidende dagvaarding twee offertes van 21 maart 2014 van [riooltechniek] Riooltechniek overgelegd. Een van deze offertes heeft betrekking op het omleggen van het riool van de woning van [appellante] , en beloopt € 5.800,-- inclusief btw. De andere offerte heeft betrekking op het maken van een nieuwe huisaansluiting voor het riool van de woning van [appellante] , en beloopt € 2.800,-- inclusief btw.
- [appellante] is verwikkeld geraakt in een procedure met [betrokkene] . In die procedure vordert [betrokkene] , kort gezegd, afkoppeling van de riolering van de woning van [appellante] van de riolering van de woning van [betrokkene] . Uit de stellingen van partijen in de onderhavige procedure blijkt niet of dat een vordering in conventie dan wel een vordering in reconventie is.
- de toestemming die [betrokkene] in het verleden heeft verleend voor de aankoppeling van het riool, niet slechts een alleen op [geïntimeerde] betrekking hebbende persoonlijke toestemming was, zodat ook [appellante] zich op die toestemming kan beroepen (het hof vat dit op als een beroep op artikel 6:251 lid 1 BW Pro, dat in verband kan worden bezien met artikel 6 van Pro de koopovereenkomst);
- een vordering tot afkoppeling van de riolering misbruik van recht zou opleveren;
- afsluiting van de riolering door [betrokkene] abnormale en ontoelaatbare burenhinder zou opleveren;
- door verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan, op grond waarvan [betrokkene] de rioolaansluiting moet dulden.
- Het enkele feit dat de riolering van de woning van [appellante] niet rechtstreeks maar via de riolering van de woning van [betrokkene] is aangesloten op het openbaar riool, brengt niet mee dat [geïntimeerde] in de nakoming van de koopovereenkomst tekortgeschoten is (rov. 4.2).
- Dat is echter anders als de aansluiting van de riolering van de woning van [appellante] op de riolering van de woning van [betrokkene] alleen berust op een door [betrokkene] aan [geïntimeerde] verleend persoonlijk recht, dat niet overgaat op rechtsopvolgers van [geïntimeerde] . Als dat het geval is, had [geïntimeerde] daarvan mededeling moeten doen aan [appellante] . [appellante] hoefde immers niet te verwachten dat zij na de koop van de woning een eigen rioolaansluiting zou moeten realiseren (rov. 4.3).
- Het door [geïntimeerde] gevoerde verweer komt erop neer dat er door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, op grond waarvan het erf van [betrokkene] is bezwaard met de last om de rioolaansluiting van het erf van [geïntimeerde] (thans [appellante] ) te dulden. Dat verweer moet worden gehonoreerd (rov. 4.4 tot en met 4.6).