Uitspraak
GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het procesverloop
2.De beoordeling
mr. drs. P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De verdachte heeft op 18 februari 2016 tijdens een pro forma zitting van het gerechtshof 's-Hertogenbosch een wrakingsverzoek ingediend tegen de drie behandelende raadsheren. Hij stelde dat de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis blijk gaf van vooringenomenheid. De raadsheren berustten niet in het wrakingsverzoek en verschenen niet bij de wrakingszitting.
Op 15 april 2016 behandelde de wrakingskamer het verzoek in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal. De raadsman voerde aan dat de langdurige voorlopige hechtenis van de verdachte, in tegenstelling tot medeverdachten, en de afwijzing van eerdere verzoeken met standaardmotivering een schijn van vooringenomenheid wekten. Ook stelde hij dat nieuwe informatie en nog uit te voeren onderzoek zouden leiden tot een lagere straf, waardoor de voorlopige hechtenis onterecht werd voortgezet.
De wrakingskamer stelde vast dat het niet haar taak was om de inhoudelijke juistheid van de voorlopige hechtenisbeslissing te toetsen, maar slechts om te beoordelen of er objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestond. Uit het proces-verbaal bleek dat de gronden voor voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig waren en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die schorsing rechtvaardigden. De kamer concludeerde dat de afwijzing van het verzoek niet wijst op vooringenomenheid.
Daarom wees de wrakingskamer het verzoek af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond. De beslissing werd onverwijld medegedeeld aan alle betrokkenen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de drie raadsheren is afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.