ECLI:NL:GHSHE:2016:1612

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 april 2016
Publicatiedatum
25 april 2016
Zaaknummer
200.177.660/01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gezamenlijk ouderlijk gezag ondanks communicatieproblemen tussen ouders

In deze zaak gaat het om een geschil over het ouderlijk gezag over een minderjarige, geboren uit een relatie tussen de moeder en de vader die sinds begin 2013 niet meer samen zijn. De vader heeft de minderjarige erkend en het kind woont bij de moeder. Sinds december 2011 staat het kind onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank had de ouders gezamenlijk belast met het gezag, maar de moeder is hiertegen in hoger beroep gekomen en verzocht om alleen haar het gezag toe te kennen.

De moeder stelde dat de ouders niet in staat zijn om adequaat te communiceren, wat het risico vergroot dat het kind klem of verloren raakt tussen hen. Zij wees op herhaalde conflicten, interventies van hulpverlening en politie, en een incident waarbij de vader zonder toestemming de minderjarige uit bed haalde. De vader betwistte deze feiten en stelde dat de communicatie weliswaar niet perfect is, maar voldoende om gezamenlijk gezag uit te oefenen. Ook de GI en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden gezamenlijk gezag te handhaven.

Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:253c BW gezamenlijk gezag alleen kan worden geweigerd als er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en geen verbetering te verwachten is. Hoewel de communicatie tekortschiet, is dit niet van dien aard dat het kind hier last van heeft. De ouders maken afspraken over de omgang en zijn bezig hun communicatie te verbeteren via een ouderschapsreorganisatietraject. Het hof achtte de belangen van het kind het best gediend met het handhaven van het gezamenlijk gezag en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige en wijst het verzoek van de moeder tot alleen gezag af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 21 april 2016
Zaaknummer: 200.177.660/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/274415 / FA RK 14-582-2
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.W.M. Mans,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de vader
,
advocaat: mr. M. Ummels.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juni 2015 en naar de beschikking van die rechtbank van 28 augustus 2014.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 september 2015, heeft de
moeder verzocht voormelde beschikking van 25 juni 2015 te vernietigen voor zover het betreft de wijziging van het ouderlijk gezag en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de moeder alleen belast wordt met het ouderlijk gezag over de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] , een en ander onder compensatie van kosten.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 november 2015, heeft de vader verzocht om de moeder in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans, nu de grieven onbewezen en/of ongegrond zijn, de beschikking waarvan beroep ongewijzigd in stand te laten.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Mans;
-de vader, bijgestaan door mr. Ummels;
-de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 13 mei 2015;
- de brief van de GI d.d. 2 maart 2016;
- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 maart 2016.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen hebben tot begin 2013 een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit de relatie van partijen is geboren:
- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] woont bij de moeder.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 14 december 2011 onder toezicht van de GI.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de vader en de moeder gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. Partijen zijn niet in staat gebleken om met elkaar te communiceren, hetgeen het voor partijen onmogelijk maakt om gezamenlijk beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Gesprekken tussen de ouders lopen steeds op ruzie uit, waarbij de hulpverlening en/of de politie herhaaldelijk moet ingrijpen. Bij besprekingen in het kader van het ouderschapsreorganisatietraject (ORO) loopt de vader vaak weg. Ook de GI is van mening dat de ouders niet in staat zijn om structureel op een positieve manier met elkaar in gesprek te gaan. Zelfs afspraken over de omgangsregeling verlopen niet goed. [minderjarige] zit klem tussen de ouders. Volgens de moeder is niet te verwachten dat er binnen afzienbare tijd verbetering optreedt in de communicatieproblemen tussen de ouders. Ondanks de - reeds sedert 14 december 2011 lopende ondertoezichtstelling - blijven er zorgen bestaan over de communicatie tussen de ouders.
De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen geen noodzaak te zien om het verzoek van de vader tot wijziging van het ouderlijk gezag in het belang van [minderjarige] af te wijzen. De agressieve houding van de vader blijft een punt van aandacht. In het verleden is er sprake
geweest van huiselijk geweld. Op 3 augustus 2015 heeft de vader zich toegang verschaft tot
de woning van de moeder en hij heeft [minderjarige] uit bed gehaald. Toen de moeder de politie belde, is de vader vertrokken met achterlating van [minderjarige] . De moeder is van mening dat dit gedrag van de vader aantoont dat hij niet in staat is om in het belang van [minderjarige] te handelen. Verder haalt de vader ondanks gemaakte afspraken [minderjarige] herhaaldelijk op donderdagen niet op van school. Volgens de moeder is de vader niet in staat om beslissingen te nemen die het belang van [minderjarige] dienen.
3.6.
De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het klemcriterium niet van toepassing is. Partijen zijn wel degelijk in staat om onder andere via sms en chatberichten op een goede en constructieve wijze met elkaar te communiceren en afspraken te maken over de uitvoering van de contactregeling. Partijen hebben zich voorts gewend tot ORO (ouderschapsreorganisatie) voor bemiddeling tussen de vader en de moeder.
De vader betwist met klem dat hij agressief is. De vader ontkent dat hij [minderjarige] op 3 augustus 2015 uit bed heeft gehaald. Verder zijn de ouders, zo stelt de vader, overeengekomen dat de vader [minderjarige] op donderdagen niet meer van school haalt.
De vader is overigens van mening, dat ook al zou er sprake zijn van communicatieproblemen van enige betekenis tussen de ouders, dit niet maakt dat er geen basis is voor gezamenlijk ouderlijk gezag. Ook de raad heeft geadviseerd tot gezamenlijk ouderlijk gezag in het belang van [minderjarige] en nadien is de communicatie tussen de ouders verbeterd.
Voorts is gesteld noch gebleken dat de vader het nemen van belangrijke beslissingen over
[minderjarige] heeft gefrustreerd of tegengehouden.
3.7.
De GI heeft ter zitting - in het kort - het volgende verklaard. Er is geen reden om het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] niet in stand te laten. Met [minderjarige] gaat het goed. De ouders zijn in het verband van ORO doende met het verbeteren van hun onderlinge communicatie.
3.8.
De raad heeft ter zitting bekrachtiging van de bestreden beschikking bepleit.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.9.2.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
Met de raad en de rechtbank is het hof van oordeel dat de bestaande communicatie tussen de ouders weliswaar te kort schiet, maar niet zodanig gebrekkig is dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te geraken tussen de ouders. Ook de gezinsvoogd heeft verklaard dat de huidige situatie tussen de ouders geen dusdanige spanningen oplevert dat [minderjarige] hier last van heeft.
Gebleken is dat de ouders in staat zijn om afspraken te maken over de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] . Voorts is gebleken dat de ouders zich thans onder regie van de gezinsvoogd in een ouderschapsreorganisatietraject bevinden. Het hof gaat er vanuit dat de ouders zich in dit kader met volledige inzet in het belang van [minderjarige] zullen inspannen om hun onderlinge communicatie (verder) te verbeteren en verwacht dat in die communicatie in de toekomst daadwerkelijk nog verdere verbetering zal optreden.
Het hof acht ook anderszins geen noodzaak aanwezig om in het belang van [minderjarige] het verzoek van de vader af te wijzen. Over het gebeuren op 3 augustus 2015 hebben de ouders ieder hun eigen lezing en komt in het kader van de door het hof te nemen beslissing onvoldoende gewicht toe. Verder is niet gebleken van een situatie waarin de vader de moeder zonder redelijke grond heeft tegengewerkt bij het nemen van een beslissing van enig belang aangaande [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de hiervoor vermelde criteria van artikel 1:253c lid 2 BW. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over het gezag derhalve bekrachtigen.
3.10.
Het hof zal de proceskosten compenseren, gezien het familierechtelijk karakter van deze zaak.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van
25 juni 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ten aanzien van het centraal gezagsregister;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.H.J.M. Mertens - Steeghs en C.A.R.M. van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.