Uitspraak
A. Hoger beroep
B. Omvang van het hoger beroep
C. Onderzoek van de zaak
D. Vonnis waarvan beroep
E. Tenlastelegging
F. Bewezenverklaring
[S] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [S] meermalen met een mes gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [S] is overleden.
G. Bewijs: de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden
“Now you have done it, you and I share the same fate, no you have really pissed me off lady. […] you will pay with blood for this, ever last drop of your blood I will see flowing, ferry ferry soon.”
“Een steegje [van de] [straat 1] . […] Ligt iemand flink te bloeden. Die is in elkaar geslagen. Mijn vrouw roept net. […] De ambulance moet nu echt heel snel komen. […] Mijn vrouw loopt naar buiten om mijn zoontje naar […] school te brengen en ze hoort gekrijs en er wordt iemand in elkaar geslagen en die jongen loopt weg. […] Het gaat niet goed met die mevrouw roept mijn… […] Er zijn nu twee mensen bij. […] Iemand is […] met [reanimatie] begonnen.” [5]
“Ik zag een vrouw in een foetushouding in de brandgang op de grond liggen. Die [hoorde ik] gillen. Ik zag een man boven de vrouw staan. Die [hing] voorover […]. Ik zag dat de man op haar in beukte en haar sloeg. Ik riep naar de man: ‘Hé idioot. Hou eens op. Ben je wel normaal.’ Ik zag dat de man niet stopte en door bleef gaan. […] Daarna zag ik pas dat de man met een mes instak op de vrouw. Het mes leek op een zaag en het lemmet leek donker van kleur. De man haalde verschillende keren uit met het mes. Hij hief hierbij het mes ver boven zijn hoofd en stak met kracht in op de vrouw.” [12]
“De vrouw […] had haar knieën opgetrokken alsof ze zich aan het beschermen was. […] Haar armen […] had ze opgetrokken voor haar borst. […] De man […] heb ik […] niet zien veranderen van plaats. Het was een beweging die meerdere malen herhaald werd door de man. […] Ik zag […] dat […] hij […] voorovergebogen [stond], boven haar lijf. […] Ik kan mij herinneren dat het mes opvallend gekarteld was en een zwart lemmet had. Het leek wel een zaag. […] Ik [heb] […] geroepen en gegild. […] Hij reageerde totaal niet. Hij zat er zo in waar die mee bezig was.Mijn bedoeling was ook om zijn aandacht te vragen, zodat hij zou stoppen, maar [hij] reageerde totaal niet. Hij was echt gefocust op datgeen hij aan het doen was. […] Die vrouw […] had totaal geen kans om daar weg te komen.” [13]
“Ik ben om 07:10 uur weggegaan vanaf mijn werk. […] Ik weet […] dat ik voor vijf voor half 8 thuis was […].” [14] “Toen ik kwam aanfietsen in de straat, [straat 1] , zag ik een man ter hoogte van huisnummer 32 staan. Deze man viel mij op, omdat de man met zijn bovenlichaam over de kliko van nummer 32 […] hing. […] Ik liep vervolgens met mijn fiets naar de brandgang […], richting mijn schuur. Ik keek, terwijl ik mijn fiets wilde wegzetten, nog een keer naar de man. De man trok mijn aandacht, omdat ik wist dat de laatste tijd [in de buurt] […] [veel] fietsen [worden weggenomen] en veel ruiten worden ingegooid. […] Ik heb vervolgens mijn schuurtje verlaten en zag nog steeds diezelfde man staan bij de kliko aan de overkant van de weg. Ik zag dat de man nerveus om zich heen keek. Ik zag dat de man continu aan zijn capuchon [van zijn groene trui] trok om zijn gezicht te bedekken. Nadat ik de brandgang had verlaten, liep ik naar mijn voordeur. […] Toen ik mijn sleutel in het sleutelgat stopte, keek ik nogmaals naar de man. Ik zag dat de man heel gefocust naar de brandgang bleef kijken. […] Ik zag dat de man [een tas bij zich droeg, die goed gevuld leek omdat die bol stond, en] dat de man met zijn linker hand continu in de opbergruimte [van die tas] zat. […] Ik ben vervolgens naar mijn kamer gegaan […], op de derde verdieping. […] Ik ben […] naar het raam gelopen, [dat] zicht had op de man op straat. […]” [15] “Ik heb [foto’s van die jongen] gemaakt. […] Ik heb toen nog een stoel gepakt en ben voor het raam gaan zitten. […] Ik [heb daar zeker een kwartier] gezeten. […]” [16] “Ik zag dat de man zich nog steeds op dezelfde plek bevond. […] Ik zag dat de man op een gegeven moment begon te knielen. Hij stond half achter het muurtje, dichtbij de kliko. Ik zag hierdoor alleen zijn hoofd nog. […] Ik […] liep richting mijn keuken. Vanuit mijn keuken had ik ook zicht op de man. […]” [17] “Ik heb [daar] het een en ander opgeruimd en af en toe keek ik naar die [man] of hij er nog stond. Ik wilde was opvouwen en opeens hoorde ik een […] schreeuw. […]” [18] “Hierop keek ik naar buiten en hoorde ik de man schreeuwen richting de brandgang. […] Ik liep naar beneden via de voordeur richting de brandgang. Toen ik de beneden bij de voordeur stond, zag ik […] dat het ijzeren toegangshek, richting de brandgang, open stond. […] De man [zag ik] richting de brandgang rennen.” [19] “Ik hoorde die [man] schelden. […] Ik zag dat die [man] richting de brandgang [ging] […]. Dat is tevens de brandgang die ik gebruik als ik mijn fiets weg moet zetten […]. Ik zag dat die [man] […] overstak en [hoorde dat hij] schreeuwde in de richting van de brandgang. […] Ik hoorde hem kankerhoer en kankerwijf schreeuwen en volgens mij riep hij een naam, volgens mij klonk het als ‘Sa’. Dit schreeuwde hij een paar maal erg hard. […]” [20] “Op het moment dat de man begon met rennen richting de brandgang, hoorde ik gegil vanuit de brandgang komen. Het gegil kan ik omschrijven als een noodkreet. Omdat ik het gegil zo eng vond, ben ik richting de brandgang gerend.Ik zag dat de man met zijn rechter hand een groot mes tevoorschijn haalde. […]” [21] “Die man [stond] voor de ingang […] [bij de poort] van de brandgang. Op dat moment [had] […] hij een mes in zijn rechter hand […]. Ik zag dat hij een voorwaartse stekende beweging maakte met zijn rechter hand. […]” [22] “Ik zag dat de man de brandgang verder inliep richting een vrouw […]”. [23] “Ik ben toen […] [verder] naar de brandgang [gelopen], [naar] […] waar de poort sluit. Ik had volledig zicht op de hele brandgang. […] Ik keek in de brandgang, terwijl ik een beetje om het hoekje stond. Ik zag een meisje staan, voorovergebogen […]. Ik zag dat ze haar armen gekruist voor haar buik had. Ik zag dat de jongen haar duwde. […] Ik schat dat ik op 4 of 5 stappen van hem af stond. […] Ik zag dat hij met zijn linker onderarm duwde. […] Ik zag dat het meisje […] in elkaar zakte. Ik zag dat zij viel en in een soort foetushouding ging liggen met haar gezicht in mijn richting. Ik zag dat zij draaide met haar ogen en ik hoorde haar schreeuwen om hulp. Ik zag dat zij met haar hoofd op haar schouder lag […]. Ik zag haar armen nog steeds gekruist voor haar buik en haar benen had zij opgetrokken. […] Ik zag dat hij toen drie, bovenhandse, stekende bewegingen maakte. […] Ik zag zijn rechter hand driemaal boven zijn hoofd uitkomen en hij stond een beetje voorovergebogen.” [24] “Op dat moment wist ik niet hoe snel ik moest wegkomen, omdat ik zo geschrokken was. Ik zag overal bloed liggen rondom het slachtoffer. Ik zag ook veel bloed bij de man op zijn groene trui zitten. […] Ik ben […] richting mijn voordeur gerend. Op het moment dat ik bij mijn voordeur stond, zag ik de man met een normale looppas weglopen richting de Hendrik Frederiklaan.” [25]
“Ik woon schuin tegenover de brandgang. Ik hoorde commotie. Ik zag een man met een fel groene trui […], type Hoody met capuchon. Ik zag dat de man de capuchon op had. […] Ik zag dat de man een […] schoudertas […] met de hand droeg. […] Ik zag dat de man een mes vast had. Ik zag dat het mes wit van kleur was. Het leek wel een keramisch mes. Ik zag dat het mes ongeveer 40 à 50 centimeter lang was. […] Ik zag dat de man vanuit de brandgang kwam gelopen en vanuit mijn woning gezien rechtsaf […] sloeg. Ik zag dat de man rende. Ik zag dat de man daarna weer linksaf sloeg in de richting van het speeltuintje.” [28]
“Ik zag […] dat [de man], toen hij uit de brandgang kwam, […] iets weggooide. Later zag ik dat dit een mes was. […] Ik heb de politie dit mes aangewezen.” [29]
“Dat ding had [ [de verdachte] ] (het hof: de verdachte [de verdachte] ) pas gekocht”. [34]
“ [de verdachte] […] had verkering met een meisje [dat] [S] heette en in Den Bosch woonde. […] Hij was […] gelukkig met haar […], totdat [de verdachte] […] een brief kreeg. Deze brief was afkomstig van [S] . Daarin stond letterlijk: ‘Hierbij verklaar ik, [S] , met rust gelaten te willen worden door [de verdachte] […].’[…] [de verdachte] was gebroken […]. Vijf dagen voordat hij werd aangehouden door de politie, [heeft [de verdachte] ] aan me gevraagd: ‘Denk jij dat ik in staat ben om iemand te vermoorden?’ […]
“ [S] […] heeft [rond 1 juli 2013 onze relatie] beëindigd. […] Nadat het uit was gegaan, heb ik bedreigingen geuit. Dat deed ik via WhatsApp en via Skype. […] Ze zal bloeden, is een van de dingen die ik heb gezegd. […]
“Ja, ik weet niet waar ik moet beginnen. U houdt mij voor dat het gaat over het overlijden van [S] op 10 september 2013. […] Ik heb gewacht op haar. Toen ze de hoek om kwam lopen […] ben ik erop afgelopen. […] Het volgende moment […] ligt [ze] op de grond en [zit] ik helemaal onder het bloed. […] Ik [had het junglemes, de duct tape en de tierips] bij me. […]
H. Bewijsoverwegingen
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde wordt alsmoordgekwalificeerd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
J. Strafbaarheid van de verdachte
K. Op te leggen straf
“Ik ben […] gerend naar de vrouw in de brandgang. Ik zag dat de vrouw probeerde overeind probeerde te komen. […] Dit [lukte haar] niet. Ik zag dat de vrouw wit wegtrok in haar gezicht. Overal rondom de vrouw lag bloed. […] Ik ben naast de vrouw neergeknield om haar te ondersteunen. Ik hoorde dat de vrouw een roggelend geluid maakte. Ik heb de hele tijd gesproken tegen de vrouw en vertelde haar dat alles goed zou komen. Ik zag dat de ogen van de vrouw wegdraaiden. […] Ik heb naar haar verwondingen gekeken en geprobeerd de ergste verwondingen dicht te knijpen. Ik zag dat er veel bloed uit haar buik spoot. Hierop heb ik een kledingstuk […] op haar buik gelegd. […] Ik heb geprobeerd de wond in de hals dicht te knijpen. […] Een man […] heeft vervolgens de zorg van het slachtoffer overgenomen […]. Ik zag dat de vrouw meerdere malen wegviel. Ik zag en hoorde dat de vrouw niet meer aanspreekbaar was.” [52]
“Tijd heelt alle wonden, maar deze niet. […] De tijd stopte met helen op 10 september 2013.”Ook het zusje van het slachtoffer heeft de impact van het verlies pijnlijk duidelijk verwoord:
“Samen naar de stad, samen naar de bioscoop, daarna […] ijsje eten, samen naar huis fietsen, samen naar het park gezellig picknicken en nagellakken, samen knutselen, samen zaterdagmiddag als niemand anders thuis is koekjes maken, samen skeeleren, samen in het vliegtuig naar Zweden en af en toe ruzie maken. […] Nu kan het niet meer, omdat ze er niet meer is.”
L. Beslag
M.Schadevergoeding
“directe nabestaanden […] als het geval is in ouder-/broer-/zus- of kindrelatie”. Uit artikel 51, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), in samenhang met artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), blijkt immers dat het gaat om kosten die, naar hun aard, juist geen rechtstreekse schade betreffen en die desondanks kunnen worden gevorderd door eenieder te wiens lasten zij zijn gekomen. Inhoudelijk moet worden bezien in hoeverre de kosten in een rechtstreeks verband staan met het begraven of cremeren van het overleden slachtoffer en in hoeverre die kosten kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten die in overeenstemming zijn met de omstandigheden van het slachtoffer.
N. Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) jaren;
teruggaveaan de verdachte van de Albert Heijn-kaart, de twee gamekaarten, de ov-chipkaart en de smartphone;
teruggaveaan [I] van de set bestek en de tablet;
€ 8.988,51 (achtduizend negenhonderdachtentachtig euro en eenenvijftig cent), ter zake van materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
€ 8.988,51 (achtduizend negenhonderdachtentachtig euro en eenenvijftig cent), als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
79 (negenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
€ 21.070,41 (eenentwintigduizend zeventig euro en eenenveertig cent), bestaande uit € 1.070,41 (duizend zeventig euro en eenenveertig cent) aan materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
€ 21.070,41 (eenentwintigduizend zeventig euro en eenenveertig cent), bestaande uit € 1.070,41 (duizend zeventig euro en eenenveertig cent) aan materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
140 (honderdveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
€ 1.372,62 (duizend driehonderdtweeënzeventig euro en tweeënzestig cent), ter zake van materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
€ 1.372,62 (duizend driehonderdtweeënzeventig euro en tweeënzestig cent), als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;