Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3129661 CV EXPL 14-6562)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de akte van Hoist;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
3.De beoordeling
primairte vermeerderen met de rente ad 11,51% per jaar – welke het maximum dat volgens het Besluit Kredietvergoeding is toegelaten niet zal overschrijden – over € 5.391,09 vanaf 6 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening,
subsidiairte vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.391,09 vanaf 25 juli 2012 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
the Sellers hereby transfer to the Purchaser the Credit Claims", in combinatie met de uit de lijst "Credit Claims" afgedrukte claim op [geïntimeerde] (productie 20 Hoist), voldoende is bepaald wat aan Hoist is overgedragen. Een verdergaande specificatie is vanwege de privacy van de andere kredietnemers op de lijst niet vereist. Nu Hoist de overeenkomst van 30 oktober 2013 mede heeft ondertekend, heeft Hoist naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat op 30 oktober 2013 een rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden.
"indien deze na ontvangst van een ingebrekestelling het verschuldigde niet alsnog binnen de daarin genoemde termijn voldoet (…)."Aangezien gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] eerder dan bij voormelde brief van 17 juli 2012 voor de achterstallige termijnen in gebreke is gesteld, is zij voor de datum van algehele opeising geen vertragingsvergoeding verschuldigd geworden. Het hof gaat daarom uit van een contante waarde van de lening per 17 juli 2012 van (€ 8.931,51 -/- € 256,27) € 8.675,24.
vertragingsvergoedingverschuldigd zijn over het hele uitstaande saldo, terwijl Hoist zich in de onderhavige zaak beroept op de overeengekomen kredietvergoeding van artikel 2 van Pro de algemene voorwaarden. Grief 2 faalt.
Verder is [geïntimeerde] primair van mening dat Hoist al bij de inleidende dagvaarding had dienen aan te geven dat de laatste betalingsregeling is vervallen en subsidiair dat zij de deurwaarder altijd volledig op de hoogte heeft gehouden van haar financiële situatie en er voldoende bewijs was dat niet, of slechts gedeeltelijk, kon worden betaald. Tot slot betwist [geïntimeerde] dat zij de brieven van 24 maart 2014 en 4 april 2014, die niet aangetekend zijn verstuurd, heeft ontvangen.