In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de geïntimeerde nog pensioenpremies verschuldigd is aan Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg (BPF) over de jaren 2009, 2010 en 2011. Het geschil spitst zich toe op de hoogte van de premies en de toepasselijke rente. Het hof heeft in een eerder tussenarrest reeds vastgesteld dat een deel van de premies toewijsbaar is en heeft nadere informatie opgevraagd over premiepercentages en betalingsbewijzen.
BPF erkende dat de geldende premiepercentages 28,34% voor het basispensioen en 0,6% voor de arbeidsongeschiktheidspensioenregeling (AOP) zijn, en dat de eerdere hogere percentages verklaard werden door een omrekening van vierwekelijkse naar maandelijkse betalingen. De geïntimeerde kon geen betalingsbewijs leveren voor een gestelde betaling van € 6.981,-, waardoor het hof ervan uitgaat dat deze betaling niet heeft plaatsgevonden.
Het hof bevestigt de toewijzing van de gevorderde premies en de wettelijke rente, waarbij het de bindende eindbeslissing over de rente handhaaft. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat BPF onvoldoende inzicht gaf in haar vordering, wat onredelijk was voor de geïntimeerde. De proceskosten van eerste aanleg worden gecompenseerd, terwijl de geïntimeerde wordt veroordeeld in de kosten van hoger beroep.
Het arrest vernietigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt de geïntimeerde tot betaling van de premies over 2009, 2010 en 2011, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vastgestelde ingangsdata, en tot betaling van de proceskosten hoger beroep. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.