ECLI:NL:GHSHE:2016:2193

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 juni 2016
Publicatiedatum
6 juni 2016
Zaaknummer
200.158.084/01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 3 BWArt. 1:253a lid 2 BWArt. 198 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling en afwijzing verzoek tot contactverbod tussen vader en kinderen

In deze civiele zaak betreffende de contactregeling tussen een vader en zijn kinderen heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 2 juni 2016 uitspraak gedaan. Het hof bevestigde de eerder door de rechtbank vastgestelde zorgregeling en wees het verzoek van de moeder af om een eindbeschikking te geven waarbij het contact tussen de vader en de kinderen wordt stopgezet.

De procedure kende een deskundigenonderzoek, dat niet kon worden voortgezet omdat de vader niet meewerkte. De moeder stelde dat het beter was voor de kinderen dat er geen contact meer was, terwijl de vader zich niet kon verenigen met het ontbreken van contact, maar zich op dit moment neerlegde bij het oordeel van het hof.

Het hof oordeelde dat het verzoek van de moeder om een contactverbod een zelfstandig en verstrekkend verzoek was dat in dit stadium van de procedure niet toelaatbaar was. Het hof stelde vast dat de bestaande regeling in het ouderschapsplan niet in strijd is met het belang van de kinderen en benadrukte de verplichting van beide ouders om de banden tussen vader en kinderen te bevorderen.

De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking van de rechtbank Oost-Brabant werd bekrachtigd voor zover het de zorg- en opvoedingstaken betreft.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestaande zorgregeling en wijst het verzoek af om het contact tussen vader en kinderen te beëindigen.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak: 2 juni 2016
Zaaknummer: 200.158.084/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/278291 / FA RK 14-2364
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. E.E. Frenken,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.K.G.M. Martens.

5.De beschikking d.d. 9 juli 2015

Bij die beschikking heeft het hof, voor zover thans van belang, onder meer:
een deskundigenonderzoek gelast zoals in het lichaam van die beschikking vermeld;
tot deskundigen benoemd mevrouw drs. I. Sandig (psycholoog) en de heer mr. L.J.G. de Haas (advocaat);
in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing met betrekking tot de zorgregeling pro forma aangehouden tot 1 september 2015.

6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de brief van de deskundigen d.d. 18 november 2015. De deskundigen hebben in deze brief aan het hof medegedeeld dat zij één bespreking met partijen hebben gevoerd waarin onder meer een plan van aanpak voor het vervolg van het onderzoek is opgesteld. Er zijn meerdere besprekingen gepland met partijen, welke door de man zijn afgezegd. De deskundigen zijn van mening dat zij het onderzoek onder de huidige omstandigheden niet kunnen voortzetten.
6.2.
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op de inhoud van de brief van de deskundigen te reageren, waarvan partijen gebruik hebben gemaakt.
6.3.
Bij V8-formulier met bijlage, ingediend door de advocaat van de vrouw op 14 december 2015, heeft de vrouw het hof bericht dat er vanaf januari 2015 geen contact meer tussen de man en de kinderen is geweest. De man heeft uitdrukkelijk bij de vrouw aangegeven geen contact meer te willen. De vrouw is van mening dat het beter voor de kinderen is dat er geen contact is met de man. Het ouderschapsonderzoek heeft geen doorgang kunnen vinden omdat de man niet mee werkte. De vrouw verzoekt het hof dan ook om een eindbeschikking af te geven, waarbij er wordt bepaald dat er geen contact zal zijn tussen de man en de kinderen en ieder der partijen zijn/haar eigen proceskosten draagt.
6.4.
Bij V8-formulier met bijlage, ingediend door de advocaat van de man op 15 december 2015, heeft de man het hof bericht dat hij zich niet kan verenigen met de omstandigheid dat hij geen contact met de kinderen heeft, maar door omstandigheden ingegeven kan hij op dit moment niet anders dan zich refereren aan het oordeel van het hof.
6.5.
Partijen hebben in voornoemde V8-formulieren met bijlage het hof niet om een nadere mondelinge behandeling verzocht. Het hof zal daarom de zaak op de stukken afdoen.

7.De verdere beoordeling

7.1.
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om een eindbeschikking af te geven, waarbij er wordt bepaald dat er geen contact zal zijn tussen de man en de kinderen, is het hof van oordeel dat dit verzoek is aan te merken als een zelfstandig verzoek in hoger beroep. Hoewel er samenhang is met het thans nog voorliggende geschilpunt, te weten het verzoek in hoger beroep van de man de contactregeling nader vast te stellen zoals door hem verzocht, acht het hof een zodanig verstrekkend verzoek als de vrouw in dit stadium van de procedure doet, in strijd met een goede procesorde. Weliswaar kan het hof, ook in afwijking van hetgeen door partijen is verzocht, een zorgregeling vast stellen die in het belang van de kinderen wenselijk wordt geacht, maar dit betekent niet dat in ieder stadium van de procedure nieuwe en zelfstandige verzoeken toelaatbaar te achten zijn. Het hof zal het verzoek afwijzen.
7.2.
Het hof stelt ten aanzien van het in hoger beroep voorliggende geschil vast dat partijen na het door het hof bij tussenbeschikking gelaste deskundigenonderzoek geen overeenstemming hebben bereikt. Uit voornoemde brief van de deskundigen blijkt dat de man na de eerste bespreking niet langer zijn medewerking aan het deskundigenonderzoek heeft verleend, zodat het hof ingevolge artikel 198 lid 3 Rv Pro daaruit de gevolgtrekking kan maken die het hof geraden acht. Het hof zal ingevolge artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW een regeling vaststellen die het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
7.3.
Het hof is naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals neergelegd in het ouderschapsplan en welke is opgenomen in de bestreden beschikking, niet in het belang van de kinderen is. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om een andere regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen. Het hof stelt weliswaar vast dat het voor partijen op dit moment kennelijk lastig is om deze regeling uit te voeren nu er sinds januari 2015 geen contact meer tussen de man en de kinderen heeft plaatsgevonden, maar dit neemt niet weg dat de inspanningen van partijen hierop wel gericht dienen te blijven. Het hof wijst de vrouw in dat kader op de op grond van artikel 1:247 lid 3 BW Pro op haar rustende verplichting als ouder om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de man te bevorderen. Voor de man geldt terzake evenzeer een plicht tot inspanning, die hij, in ieder geval tijdens het ouderschapsonderzoek, heeft verzaakt. Het ontbreken van contact tussen de man en de kinderen mag echter geen eindstation zijn.
7.4.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Proceskosten
7.5.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

8.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juli 2014 alsmede het daarin opgenomen ouderschapsplan
,voor wat betreft de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.D.M. Lamers en J.H.J.M. Mertens-Steeghs en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2016.