Appellant verzocht de rechtbank om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was geweest met betrekking tot het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij arbeidsongeschikt is, dat hij niet bewust sollicitaties heeft nagelaten, en dat zijn medische situatie na februari 2015 verslechterd is. Tevens stelde hij zich voor 50% arbeidsgeschikt te achten.
Het hof oordeelde dat het verzoek prematuur is omdat appellant nog niet voldoende heeft aangetoond dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen en zich zal inspannen om baten voor de boedel te verwerven. Hoewel appellant onder begeleiding staat en gebruikmaakt van budgetbeheer, moet hij eerst aantoonbaar en actief solliciteren over een substantiële periode.
Daarom bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek af. Appellant kan na het tonen van een saneringsgezinde houding een hernieuwd verzoek indienen.