In deze zaak stond centraal de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en [Nederland] terecht was ontbonden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. [appellante] was sinds 2000 in dienst en werkte sinds 2009 als lease coördinator op de HR-afdeling. Na een reorganisatie in 2014 werd zij gevraagd haar takenpakket ingrijpend te wijzigen, wat zij als een demotie ervoer.
[Nederland] stelde dat [appellante] weigerde mee te werken aan het HR Shared Service Center, het gezag van haar leidinggevende niet erkende en een gebrek aan organisatiesensitiviteit vertoonde. Het hof oordeelde dat [Nederland] onvoldoende had aangetoond dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord was dat voortzetting niet redelijk was. [appellante] had haar bezwaren tegen de functiewijziging geuit en onvoldoende hulp ontvangen bij het terugbrengen van haar leasewerkzaamheden. Ook was geen sprake van weigering het gezag te erkennen of een gebrek aan organisatiesensitiviteit.
De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 maart 2016 en een transitievergoeding toegekend, maar het hof vernietigde deze beslissing en bepaalde dat de arbeidsovereenkomst hersteld moet worden met ingang van die datum. Tevens werd [Nederland] veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep. Het hof benadrukte dat de mediation en non-actiefstelling onterecht waren geweest en dat het ontbreken van draagvlak en vertrouwen onvoldoende waren onderbouwd om herstel te weigeren.