Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot toepassing van de 30%-regeling door de Inspecteur, waarbij het geschil zich richt op de vraag of de verlenging van de toetsingsperiode van 10 naar 25 jaar in artikel 10ef van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 in strijd is met verschillende internationale en Europese rechtsnormen.
Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende kwalificeert als een ingekomen werknemer en dat de bewijsregels en toetsingsperiode van de 30%-regeling van toepassing zijn. Het Hof verwijst naar eerdere arresten van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat de regeling geen systematische overcompensatie oplevert en geen indirecte discriminatie vormt.
Belanghebbende voerde aan dat de verlenging van de toetsingsperiode in strijd is met het Handvest van de Grondrechten van de EU, het VWEU, het EVRM, het IVBPR en het eigendomsrecht. Het Hof oordeelt dat deze grieven falen omdat de Hoge Raad reeds een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft vastgesteld voor de verlenging, die beoogt de regeling dichter bij haar doelstelling te brengen.
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en wijst het hoger beroep af. Tevens oordeelt het Hof dat er geen aanleiding is voor vergoeding van griffierechten of proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.