Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
in conventiegewezen tussen de Gemeente als eiseres en [appellante] als gedaagde,
in reconventiegewezen tussen [appellante] als eiseres en de Gemeente als verweerster.
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/244575/HA ZA 12-48)
2.De gedingen in hoger beroep
- de dagvaardingen in hoger beroep;
- de memories van grieven met producties;
- de memories van antwoord met producties;
- het (gevoegde) pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- een bij H-formulier van 18 september 2015 door [appellante] toegezonden productie, die hij ter gelegenheid van het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
‘bij ondertekening van deze vaststellings-overeenkomst er een achterstand in de betaling van de erfpachtcanon bestaat van € 392.476, 76, waarover een boete verschuldigd is van € 145.919,59’(sub b.), dat de Gemeente
‘bereid is om in een allerlaatste poging alsnog een regeling te treffen voor de achterstallige canon’(sub d.), dat
‘in het kader van het regelen van deze achterstand de mogelijkheid bestaat om ter plaatse een (onbemand) brandstoffenverkooppunt te realiseren, nadat het bestemmingsplan daartoe gewijzigd is’(sub e.) en dat
‘partijen in deze vaststellings-overeenkomst een finale regeling willen treffen’(sub g.).
‘oplossing in der minne’wordt in het verslag een scenario geschetst waarvan deel uitmaakt:
‘één op één’met de Gemeente (en dus zonder verplichtingen ten aanzien van [appellante] ) tot afspraken te komen, die erop neerkomen dat (1) [brandstoffenleverancier] de schulden van [appellante] jegens [de bank] zal overnemen, (2) [brandstoffenleverancier] , in eerste instantie door middel van een bankgarantie, € 230.000,- aan achterstallige canon zal voldoen aan de Gemeente, (3) [brandstoffenleverancier] de erfpacht zal overnemen tegen vergoeding van een verlaagde canon en met een koopoptie voor [brandstoffenleverancier] op het perceel, en (4) [brandstoffenleverancier] de mogelijkheid krijgt, doordat de Gemeente zich meewerkend opstelt, om op het perceel een tankstation en/of wasstraat én aanvullende activiteiten (detailhandel, autoreparatie, auto(onderdelen)verkoop) te exploiteren.
‘laatste en ultieme voorstel’voor de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen de Gemeente en [brandstoffenleverancier] gedaan, waarin (onder meer) zou worden bepaald:
niettot stand gekomen.
in conventiegevorderd, na wijziging van eis, [appellante] bij het eerste te wijzen vonnis te veroordelen om het perceel te verlaten en te ontruimen en om aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 392.677,79 en een bedrag van € 2.445,37 voor iedere maand die [appellante] na 1 januari 2013 het perceel niet heeft ontruimd en voorts te bepalen dat partijen op onder regie van de rechtbank te bepalen wijze nader debatteren over de waarde van het erfpachtrecht, waarna bij later te wijzen vonnis de door de Gemeente te vergoeden erfpachtwaarde wordt bepaald, een en ander vermeerderd met rente en kosten.
in reconventiegevorderd, na wijziging van eis, veroordeling van de Gemeente tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat en tot betaling van een voorschot op die schadevergoeding van € 250.000,- vermeerderd met rente, alsmede veroordeling tot het verlenen van medewerking aan de bouw en de exploitatie van een tankstation op het perceel. Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat sprake is van een rechtsgeldige opzegging van het recht van erfpacht, heeft [appellante] voorwaardelijk gevorderd veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 499.000,- dan wel € 275.000,- als vergoeding van de waarde van de erfpacht, vermeerderd met rente. Ten slotte heeft [appellante] gevorderd de Gemeente te veroordelen in de proceskosten.
in conventievan de Gemeente grotendeels toegewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in conventie. Ten aanzien van de vorderingen
in reconventievan [appellante] heeft de rechtbank, bij wege van tussenvonnis, geoordeeld dat een deskundigenonderzoek dient te geschieden, ten einde de rechtbank voor te lichten over de waarde van de erfpacht als bedoeld in artikel 5:87 lid 2 BW Pro.
in reconventieals niet bewezen afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in reconventie.
in conventievan de Gemeente. [appellante] heeft in haar memorie van grieven (hierna: mvg1) acht grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van het door de Gemeente gevorderde, met veroordeling van de Gemeente tot ongedaanmaking van al hetgeen zij ter executie van het beroepen vonnis heeft verricht of heeft laten verrichten en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten van beide instanties.
in reconventiegewezen, en de vonnissen van 30 april 2014, 11 juni 2014 en 7 januari 2015 (het eindvonnis), die alle uitsluitend betrekking hebben op de vordering in reconventie van [appellante] . [appellante] heeft in haar memorie van grieven (hierna mvg2) zes grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog toewijzen van het door [appellante] gevorderde, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten van beide instanties.
in conventieals
in reconventieten onrechte in het nadeel van [appellante] heeft beslist, toegelicht met de vermelding dat [appellante] het geschil in conventie en in reconventie in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen, is niet voldoende om aan te nemen dat enig door [appellante] niet vermeld geschilpunt, naast de andere wel door [appellante] aangevoerde en nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld. Grief 1 (mvg1) en grief 1 (mvg2) kunnen in zoverre niet het door [appellante] beoogde effect hebben. Voor zover de beide hier genoemde grieven betrekking hebben op de proceskostenveroordeling zal het hof er in een later stadium op terugkomen.
in conventieconstateert het hof dat [appellante] (in de mvg1) geen grieven heeft gericht (c.q. omlijnde bezwaren heeft aangevoerd) tegen de beslissingen van de rechtbank in het deelvonnis:
in reconventiezijn geen grieven gericht tegen de beslissingen van de rechtbank inzake de wijze waarop de door [appellante] na het einde van de erfpacht te ontvangen waardevergoeding ex artikel 5:87 lid 2 BW Pro moet worden berekend (r.o. 3.47-3.49.). Dit betekent dat het hof de beslissingen van de rechtbank inzake de door [appellante] te ontvangen waardevergoeding hierna onverkort tot uitgangspunt zal nemen.
grief 6 (mvg1)klaagt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan [appellante] ’ verweer dat zij, op grond van een toezegging door [medewerker 7] namens de Gemeente, gedurende de ontwikkeling van het tankstation geen canons en boetes verschuldigd was.
grief 5 (mvg1)bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente behalve op betaling van de canons tevens aanspraak kan maken op betaling van boetes. Volgens [appellante] heeft de Gemeente haar recht hierop verwerkt door het jarenlange stilzitten en doordat de Gemeente in haar communicatie met [appellante] niet duidelijk aangaf dat zij (ook) aanspraak maakte op betaling van boetes. [appellante] voert daarnaast aan dat de boetes in verhouding tot de canon disproportioneel hoog zijn en door de Gemeente nooit zijn gebruikt om [appellante] ertoe te brengen te betalen. Daarnaast doet [appellante] een beroep op de jegens hem gedane toezegging tot het mogen vestigen van een onbemand tankstation (cva in conv. nr. 24) en op de gang van zaken rond de opzegging (mvg1 nr. 18).
hoogtevan de boetes zodanig is dat de billijkheid klaarblijkelijk de matiging ervan eist, zodat het hof aan deze stellingen voorbij gaat.
grief 3 (mvg1)voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het de Gemeente vrijstond om de onderhandelingen met [appellante] over de vestiging van een tankstation op het perceel af te breken en om met derden in zee te gaan.
grief 4 (mvg1)voert [appellante] aan (
grief 4a) dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het verweer van [appellante] dat de Gemeente door toezeggingen harerzijds bij [appellante] het vertrouwen heeft gewekt dat op het perceel een tankstation zou kunnen worden gevestigd en dat, in verband daarmee, de erfpacht zou doorlopen, zodat de opzegging daarvan misbruik van recht op levert, althans onrechtmatig is jegens [appellante] .
grief 4b (mvg1)voert [appellante] aan dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar, [appellante] , omdat de Gemeente haar medewerking aan de wijziging van het bestemmingsplan afhankelijk heeft gemaakt van de betaling van de achterstallige canon. Daardoor gebruikt de Gemeente volgens [appellante] haar publiekrechtelijke bevoegdheden voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven en is sprake van
détournement de pouvoiren voorts van handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de Gemeente aan [appellante] voorwaarden heef gesteld die zij aan anderen niet kon stellen.
détournement de pouvoirmiskent dat de Gemeente niet alleen in een publiekrechtelijke, maar ook in een privaatrechtelijke (erfpachts)verhouding tot [appellante] stond. Ook zonder de toezegging inzake de wijziging van het bestemmingsplan kon de Gemeente aanspraak maken op betaling van de achterstallige canons en de verschuldigde boetes. Dat de Gemeente haar bevoegdheden in de sfeer van de ruimtelijke ordening heeft misbruikt om enige betaling door [appellante] af te dwingen waarop zij anders geen recht had kunnen doen gelden, is het hof dan ook niet gebleken.
Grief 5 (mvg2)vormt een herhaling van de grieven 3, 4a en 4b (mvg1) en komt geen zelfstandig belang toe, zodat daarop niet afzonderlijk behoeft te worden beslist.
grief 7 (mvg1)voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte de ontruiming en terbeschikkingstelling van het perceel heeft bevolen en dat in dat kader ten onrechte is voorbijgegaan aan [appellante] ’ beroep op een haar toekomend retentierecht.
grief 8 (mvg1)en
grief 6 (mvg2)bestrijdt [appellante] de afwijzing van haar schadevergoedingsvordering jegens de Gemeente. [appellante] verwijt de Gemeente in dit verband
‘het frustreren van de vestiging van het brandstoffenverkooppunt’en haar
‘jarenlang dralen en zwalkend beleid’.
‘verlies door onteigening’. Uit de afzonderlijk opgevoerde schadeposten blijkt dat [appellante] hiermee hoofdzakelijk doelt op een vergoeding van de waarde van de opstallen op het perceel. Voorts maakt [appellante] aanspraak op betaling van (jaarlijks) € 222.500,- wegens
‘gederfde opbrengst’.Een nadere onderbouwing van de schadeposten in de schadestaatprocedure wordt in het vooruitzicht gesteld.
‘de waarde die de erfpacht dan heeft’te vergoeden. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [appellante] met een vergoeding van de waarde van de erfpacht ‘ten tijde van de opzegging’ doelt op de waarde op datum einde erfpacht, te weten 1 augustus 2011. De Gemeente heeft niet weersproken dat [appellante] aanspraak kan maken op een dergelijke vergoeding.
in casuniet relevant is en dat uit de wetgeschiedenis volgt dat [appellante] geen recht heeft op zowel de waardevergoeding ex
- dat de waarde van de erfpacht op het moment dat zij door de opzegging eindigt op grond van artikel 5:87 lid 2 BW Pro moet worden bepaald aan de hand van de opbrengst die een derde zou overhebben voor een erfpachtrecht op het perceel, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur,
- dat daarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de canon in de toekomst kan worden verhoogd,
- dat tevens rekening moet worden gehouden met de bestemming van het perceel en de omstandigheid dat
- dat verder rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat op het perceel opstallen aanwezig zijn (zodat de waarde van de opstallen geacht moet worden in de waardevergoeding ex artikel 5:87 lid 2 BW Pro te zijn inbegrepen).
grief 2 (mvg2)maakt [appellante] bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank om Van Heesbeen tot deskundige te benoemen, met voorbijgaan aan [appellante] ’ bezwaren in verband met diens (mogelijke) gemis aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
grief 3 (mvg2)voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] weigerachtig was om het voorschot te voldoen.
grief 4 (mvg2)maakt [appellante] bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank om aan het niet-betalen van het voorschot het gevolg te verbinden dat aan het standpunt van [appellante] voorbij dient te worden gegaan en dat het standpunt van de Gemeente dient te worden gehonoreerd (zie de r.o. 2.10-2.15 in het eindvonnis).
4.De uitspraak
19 juli 2016voor uitlating aan de zijde van beide partijen over het bepaalde in r.o. 3.9.9.;