De heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk stelde de WOZ-waarden vast voor zeven bedrijfspanden op een industrieterrein, verdeeld over twee straten. Na bezwaar werden de waardes van vijf panden aan de [a-straat] verlaagd en die van twee panden aan de [b-straat] gehandhaafd. Belanghebbende ging in beroep tegen deze uitspraken bij de Rechtbank, die de verlagingen voor de vijf panden bevestigde en de waardes van de twee panden handhaafde.
De heffingsambtenaar stelde hoger beroep in tegen de verlagingen van de vijf panden, terwijl belanghebbende incidenteel hoger beroep instelde tegen de waardes van de twee panden. Het Hof oordeelde dat het incidenteel hoger beroep ontvankelijk is, ook zonder principaal hoger beroep. Na beoordeling van taxatierapporten en vergelijkingsobjecten concludeerde het Hof dat de heffingsambtenaar de hogere waardes aannemelijk had gemaakt en dat de rechtbank de waardes ten onrechte had verlaagd.
Het Hof verklaarde het hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd en het beroep bij de Rechtbank alsnog ongegrond verklaard. Tevens werd de vergoeding van de kosten van bezwaar door de rechtbank bevestigd, maar zonder verhoging van de wegingsfactor. Er werd geen griffierecht geheven voor het hoger beroep en geen proceskostenveroordeling opgelegd.