Uitspraak
5.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- het voornoemde tussenarrest waarbij [P&C] niet-ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep tegen het onder zaaknummer C/03/185269 rolnummer HA ZA 13-414 gewezen tussenvonnis van 29 januari 2014 en waarbij [P&C] bewijs is opgedragen;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 maart 2016, waarbij [P&C] in enquête drie getuigen heeft doen horen;
- de rolaantekening dat [Vastgoedontwikkeling] afziet van het horen van getuigen in contra-enquête;
- de memorie na enquête van [P&C] ;
- de antwoordmemorie na enquête van [Vastgoedontwikkeling] .
6.De verdere beoordeling
- in conventie afgewezen vordering van [P&C] dat [Vastgoedontwikkeling] zal worden veroordeeld tot betaling van € 338.053,41 vermeerderd met rente, tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, tot betaling van € 3.987,47 en in de proceskosten, en de
- in reconventie op vordering van [Vastgoedontwikkeling] uitgesproken veroordeling van [P&C] tot betaling van € 38.732,75 vermeerderd met rente en in de proceskosten.
- dat de op grond van ongerechtvaardigde verrijking gevorderde € 338.053,41 ook in hoger beroep niet toewijsbaar is en dat de hierop betrekking hebbende grieven V tot en met XI worden verworpen, en
- dat de wegens onder meer omzet- en winstderving gevorderde schadestaatveroordeling ook in hoger beroep niet toewijsbaar is en dat de hierop betrekking hebbende grieven XII tot en met XXVII en XX geen doel treffen,
- dat de op de benaming van [P&C] betrekking hebbende grief I slaagt maar niet leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis,
- dat de tegen de verwijzing in het tussenvonnis van 29 januari 2014 gerichte grief XVIII wordt verworpen en [P&C] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep tegen dat tussenvonnis, en
- dat grief XIX naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis heeft.