ECLI:NL:GHSHE:2016:3672

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 augustus 2016
Publicatiedatum
16 augustus 2016
Zaaknummer
200.187.048/01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ouderschapsplan en zorgregeling na echtscheiding

In deze civiele zaak betreffende personen- en familierecht heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 augustus 2016 uitspraak gedaan in hoger beroep over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken na echtscheiding.

De moeder was in eerste aanleg niet tevreden met de door de rechtbank Oost-Brabant op 4 december 2015 vastgestelde regeling voor de omgang en zorgverdeling met hun minderjarige kind, geboren in 2009. Zij stelde hoger beroep in met het verzoek tot wijziging van de zorgregeling.

Tijdens het hoger beroep bereikten partijen via mediation overeenstemming en stelden zij een ouderschapsplan op, ondertekend op 4 juli 2016. Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de zorg- en opvoedingstaken betrof en stelde het nieuwe ouderschapsplan vast. De regeling voorziet in een zorgverdeling waarbij de vader het kind in de ene week van donderdagmiddag tot zaterdagavond heeft en in de andere week van donderdagmiddag tot maandagochtend, met aanvullende afspraken over vakanties, feestdagen en extra contactmomenten.

Het hof verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wees verdere verzoeken af. De uitspraak weerspiegelt de gezamenlijke afspraken van de ouders en beoogt het belang van het kind te dienen door duidelijke en werkbare omgangs- en zorgafspraken.

Uitkomst: Het hof stelt het ouderschapsplan van 4 juli 2016 vast en vernietigt de eerdere beschikking over de zorg- en opvoedingstaken.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 11 augustus 2016
Zaaknummer: 200.187.048/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/291837 FA RK 15-1673
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.A.A. Smits,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.M. Engelen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2015.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 maart 2016, heeft de moeder verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vastgestelde regeling inzake de zorg- en opvoedingstaken en, opnieuw rechtdoende:
  • primair het inleidend verzoek van de moeder een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij de vader [minderjarige] ieder donderdagmiddag om 15.30 uur uit school ophaalt en haar zaterdagavond om 19.00 uur weer terugbrengt bij de moeder en waarbij [minderjarige] de overige dagen van de week bij de moeder verblijft, alsnog toe te wijzen;
  • subsidiair, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij [minderjarige] in week 1 van donderdagmiddag 15.30 uur tot zaterdagavond 19.00 uur bij de vader verblijft en in week 2 van donderdagmiddag 15.30 uur tot zondagavond 19.00 uur.
2.2.
De vader heeft, hoewel in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • de brief van de advocaat van de vader d.d. 5 juli 2016, waaruit blijkt dat partijen bij de mediator overeenstemming hebben bereikt. Bij deze brief is als bijlage een door partijen op 4 juli 2016 ondertekend ouderschapsplan overgelegd;
  • de brief van de advocaat van de moeder d.d. 5 juli 2016, waarin wordt bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt door middel van een mediationtraject.
2.4.
De mondelinge behandeling die was gepland op 9 augustus 2016 heeft, gelet op de door partijen bereikte overeenstemming, niet plaatsgevonden.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen zijn op 5 juli 2003 met elkaar gehuwd.
Uit het huwelijk van partijen is geboren:
- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder
.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.
Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang,
  • bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor wat betreft de vakanties zal zijn conform het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan van 4 februari 2015;
  • bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de voorjaarsvakantie en herfstvakantie zal zijn als volgt:
o [minderjarige] verblijft in de even jaren tijdens de hele voorjaarsvakantie bij de vader en de hele herfstvakantie bij de moeder;
o [minderjarige] verblijf in de oneven jaren tijdens de hele herfstvakantie bij de vader en tijdens de hele voorjaarsvakantie bij de moeder;
 inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de volgende weekendregeling vastgesteld: de vader is gerechtigd tot contact met [minderjarige] gedurende:
o week 1: de vader haalt [minderjarige] op donderdag om 15.30 uur uit school en hij brengt haar op zaterdagavond om 19.00 uur terug naar de moeder;
o week 2: de vader haalt [minderjarige] op donderdag om 15.30 uur op uit school en hij brengt [minderjarige] op de maandagochtend daaropvolgend naar school.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing omtrent de weekendregeling niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
Uit voornoemde brieven van 5 juli 2016 blijkt dat partijen, nadat zij hun geschil hebben voorgelegd aan een mediator, tot overeenstemming zijn gekomen. Zij hebben deze overeenstemming neergelegd in een ouderschapsplan, welk plan door hen beiden op 4 juli 2016 is ondertekend.
3.6.
Partijen hebben het hof verzocht de afspraken uit dit ouderschapsplan vast te leggen in een beschikking, onder aanhechting van een gewaarmerkt exemplaar van dit plan aan de te wijzen beschikking. Het hof zal aan dit verzoek gehoor geven hetgeen met zich brengt dat de bestreden beschikking, mede gelet ook op de leesbaarheid, vernietigd dient te worden voor zover het betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alsook voor zover is bepaald dat het ouderschapsplan d.d. 4 februari 2015 deel uitmaakt van die beschikking.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2015, voor zover daarbij is bepaald dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan d.d. 4 februari 2015 deel uitmaakt van die beschikking, alsook voor zover het betreft de daarbij vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan d.d. 4 juli 2016 deel uitmaakt van deze beschikking;
stelt, conform voornoemd ouderschapsplan, de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , vast:
de vader is gerechtigd tot contact met [minderjarige] gedurende:
o week 1: de vader haalt [minderjarige] op donderdag om 15.30 uur uit school en hij brengt haar op zaterdagavond om 19.00 uur terug naar de moeder;
o week 2: de vader haalt [minderjarige] op donderdag om 15.30 uur op uit school en hij brengt [minderjarige] op de maandagochtend daaropvolgend naar school.
De moeder is gerechtigd tot extra contacten in 2016:
  • zaterdag 2 juli, week 26;
  • zaterdag 10 september, week 36;
  • zaterdag 8 oktober, week 40;
  • zaterdag 5 november, week 44;
  • zaterdag 19 november, week (het hof leest:) 46;
  • zaterdag 3 december, week 48;
In 2017:
  • zaterdag 14 januari, week 2;
  • zaterdag 11 februari, week 6;
  • zaterdag 11 maart, week 10;
  • zaterdag 8 april, week 14;
  • zaterdag 6 mei, week 18;
  • zaterdag 3 juni, week 22.
In de week dat een bovenstaand extra weekend is gepland, zal de vader [minderjarige] op woensdagmiddag 12.30 uur uit school halen in plaats van donderdagmiddag om 15.30 uur. De vader zal [minderjarige] op vrijdagavond tussen 19.00 uur en 20.00 uur afzetten bij de moeder in de winkel. Tenzij de moeder die avond vrij is, dan brengt de vader [minderjarige] bij de moeder thuis om 19.00 uur.
stelt tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige] de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast:
o gedurende de zomervakantie verblijft [minderjarige] week 1 bij de vader; week 2 en 3 bij de moeder; week 4 en 5 bij de vader en week 6 bij de moeder; [minderjarige] verblijft in de even jaren tijdens de hele voorjaarsvakantie bij de moeder alsook tijdens de herfstvakantie;
o [minderjarige] verblijf in de oneven jaren tijdens de hele voorjaarsvakantie bij de vader alsook tijdens de herfstvakantie;
o de eerste week van de kerstvakantie verblijft [minderjarige] bij de vader; de tweede week van de kerstvakantie verblijft [minderjarige] bij de moeder;
o In het even jaar is [minderjarige] de eerste kerstdag bij de moeder en de tweede kerstdag bij de vader; de kerstavond wordt gekoppeld aan de eerste kerstdag vanaf 17.30 uur; het wisselmoment is op tweede kerstdag om 10.00 uur; in het oneven jaar draait dit om;
o Gedurende de mei vakantie verblijft [minderjarige] de eerste helft bij de vader, de tweede helft bij de moeder;
o Eerste pinksterdag verblijft [minderjarige] bij de vader, tweede Pinksterdag bij de moeder;
o In de even jaren is [minderjarige] op 5 december bij de vader, in oneven jaren bij de moeder; de Sinterklaasviering start om 17.30 uur en [minderjarige] blijft een nachtje slapen bij de desbetreffende ouder;
o In het even jaar is [minderjarige] eerste paasdag bij de moeder en tweede paasdag bij de vader; in het oneven jaar draait dit om;
o [minderjarige] viert haar verjaardag bij de ouder waar ze dan is op basis van de zorgregeling; haar verjaardag wordt ook nog een keer gevierd bij de andere ouder; de ouders overleggen met elkaar waar [minderjarige] haar kinderfeestje zal vieren;
o [minderjarige] is op de verjaardag van haar moeder bij de moeder en op de verjaardag van haar vader bij de vader; indien [minderjarige] tijdens zo een verjaardag op vakantie zou zijn bepalen de ouders in onderling overleg wanneer de verjaardag van de betreffende ouder wordt gevierd; [minderjarige] komt de avond voorafgaande aan de verjaardag naar de betreffende ouder en blijft de nacht van de verjaardag bij de betreffende ouder slapen; ten aanzien van vader- en moederdag passen de ouders dezelfde afspraak toe als ten aanzien van de verjaardagen van ouders;
Hetgeen overigens door de ouders middels het op 4 juli 2016 getekende ouderschapsplan tussen hen is overeengekomen, bindt hen wel, maar leent zich niet voor opname in dit dictum;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.C. Bijleveld-van der Slikke en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2016.