Uitspraak
5.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/111589/HA ZA 11-563)
6.Het geding in hoger beroep
7.De beoordeling
Betreft: uw schrijven d.d. 8 juni 2011 (…)”, laat [Recycling en Beheer] B.V. aan [Investments] weten, voor zover relevant:
sprake van dusdanige omstandigheden dat van [Investments] niet kon worden verlangd om na te komen, nu bepaalde achterliggende feiten en omstandigheden in strijd zijn met de goede zeden of met datgene wat(in, toevoeging hof)
het maatschappelijk verkeer betaamt” (nr. 59 memorie van grieven).
uitdrukkelijk de bedoeling is het (…) bedrag van € 500.000,- te zijner tijd op enige wijze te verrekenen met de aankoopprijs van (…) te verkrijgen aandelen in [Investments] Investments [vestigingsnaam] Limited;“en het feit dat de overeenkomst in art. 3 een Pro aflossingsbepaling kent. Het hof weegt verder mee dat de heer [enig aandeelhouder en bestuurder van Investments] , lid van de directie van [Investments] en degene die namens [Investments] de leningsovereenkomst heeft ondertekend, in die tijd advocaat was, zodat mag worden verondersteld dat [Investments] het verschil tussen een geldleningsovereenkomst en een overeenkomst waarin is verwoord een feitelijke betaling voor de levering van aandelen kende en ook schriftelijk zou weten te verwoorden. Voor zover om belastingtechnische redenen in strijd met de waarheid een geldleningsovereenkomst op schrift is gesteld, gaat het hof daaraan voorbij omdat concrete belastingtechnische redenen niet zijn aangevoerd, waarmee die stelling onvoldoende is onderbouwd. Het hof gaat er dan ook van uit dat partijen in het vooruitzicht van een mogelijke aandelenkoop, een geldige geldleningsovereenkomst hebben gesloten.
Schuldeiser heeft het recht namens schuldenaar terzake alle daden te verrichten en stukken te tekenen, welke volgens de wet of bijzondere statutaire bepalingen in verband daarmee nodig zijn.”, art. 8 (het stemrecht) en de toestemmingsverklaring van de echtgenote. De tweede optie hield in dat een pandrecht werd verleend op 45% van de aandelen (zie r.o. 7.1 sub o, het proces-verbaal van comparitie na antwoord, pag. 3 onderaan en pag. 4 bovenaan en nr. 34 conclusie van dupliek). Het hof begrijpt dat [Investments] stelt dat bij de bespreking op 21 juli 2011 tussen enerzijds [enig aandeelhouder en bestuurder van Investments] en [betrokkene 2] en anderzijds [betrokkene 1] , [accountant van Recycling en Beheer] en [broer 1] (zie nr. 133 memorie van grieven) beide opties door [Recycling en Beheer] B.V. zijn verworpen.
Ik zeg niet dat [Recycling en Beheer] niet gerechtigd is tot terugvordering van € 500.000,--; integendeel ik bevestig dat.”. Zonder voldoende toelichting, die ontbreekt, ontgaat het het hof waarom redelijkheid en billijkheid dit anders zouden maken.